Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

13 Achter de rode molen

Juffrouw Annette richtte zich op van de stoeprand. Even had ze de neiging om d´r haar in orde te brengen. Maar dan voelde ze dat verdomde petje! Op hetzelfde moment dat juffrouw Annette haar bezemwagentje weer in beweging zette verschenen om de hoek van de straat de kunstschilders Van Gogh en Lautrec. De twee waren een dagje uit om ideeën op te doen voor een nieuw werkstuk. En waar kon dat beter dan in de chaos van het centrum van Sint-Petrusburg.

‘De kunst ligt op straat, makker,’ zei Lautrec tegen Van Gogh. Hij wees naar het meisje in haar blauwe werkpak dat een karretje voor zich uit duwde. Van Gogh knikte. Hij had haar gezien. De twee schilders hielden halt en observeerden het bezemmeisje aan de overkant van de straat. ‘Daar zou ik iets moois van kunnen maken,’ mompelde Lautrec.

‘Ze heeft inderdaad wel wat,’ zei Van Gogh. ‘Ik bedoel iets niet alledaags,’ vervolgde hij. ‘Maar laten we een momentje rusten, ik heb het even gehad.’ De twee hadden al geruime tijd gewandeld en Van Gogh had gemerkt dat zijn vriend wat moeilijker was gaan lopen. Hij hinkte zelfs een beetje. Lautrec vond het een goed idee. De vrienden deden hun rugzakken af en haalden een pakketje brood en drinken tevoorschijn. Daarna namen ze plaats op een groen houten bankje aan de rand van een parkje met aan de achterkant, stoer boven de struiken uit stekend, de rode molen, het visitekaartje van de binnenstad.

‘Het kon je zuster zijn,’ zei Lautrec grinnikend en knikte met zijn hoofd naar de overkant. Hij bedoelde te zeggen dat zijn vriend net als het meisje een donkerblauwe kiel droeg.

‘Ze heeft geen baard, als ik het goed zie,’ zei Van Gogh lachend. En sloeg hierbij zijn handen op de knieën al zou het de mop van het jaar betreffen.

‘Ik zou haar willen tekenen,’ zei Lautrec. Ze aten van hun boterhammen en dronken koude thee. ‘Het wordt tijd voor een borrel,’ vervolgde hij terwijl hij met een vies gezicht van zijn thee dronk. Hij knikte met zijn hoofd naar de rode molen.

‘Het is nog vroeg,’ antwoordde zijn vriend, terwijl hij zijn tabakspullen tevoorschijn haalde.

De twee deden wel vaker een dagje Sint-Petrusburg. Ze waren dan even uit de sleur van het arti gebeuren. Bovendien vonden ze in de hoofdstad vaak inspiratie die in Johannesburg ver te zoeken was. Wat de kunst aanging hadden ze zo’n beetje dezelfde ideeën. Zij schilderden graag de drukte van de stad, de terrassen, de kroegen, de bordelen en de meisjes. Maar Van Gogh probeerde zijn vriend soms ook mee te lokken naar het veld, bijvoorbeeld naar het heuvelland achter de arti. Behalve het stadse leven hield Vincent van de natuur. Bovendien had zijn vriendin er moeite mee dat hij optrok met Lautrec en hun reisjes naar de hoofdstad. Jazeker, Van Gogh was zeer op het buitenleven gesteld. In de artiflat was het bij menigeen bekend dat de roodharige schilder soms bij nacht en ontij met zijn schildersezel over de velden zwierf.

De kunstenaars zagen hoe juffrouw Annette een volle schep vuil in haar karretje kieperde. Zij op haar beurt zag hoe de twee mannen op het bankje haar observeerde. Lautrec floot op zijn vingers.

‘Doe niet zo ordinair,’ stootte Van Gogh zijn buurman aan. ‘Dat doe je toch niet!’ Maar Lautrec reageerde niet. In plaats daarvan wenkte hij de straatveegster om naar hen toe te komen. Juffrouw Annette stak de straat over en begaf zich naar de wenkende mannen. Misschien wilden ze haar de weg vragen. Zij waren niet van hier. Aan hun rugzakken te zien waren het reizigers.

‘Wij zouden u graag willen portretteren,’ zei Lautrec toen juffrouw Annette voor hen stond.

‘U lijkt ons verdrietig,’ zei Van Gogh. Hij keek daarbij het meisje onderzoekend aan en dacht, tjee, wat een leuke vrouw, maar waarom zo treurig. Het leek warempel alsof ze gehuild had.

‘U bent vast en zeker kunstenaars,’ zei juffrouw Annette zonder in te gaan op Van Goghs opmerking.

‘We moeten het ermee doen,’ lachte Lautrec. Hij haalde zijn schetsboek tevoorschijn. ´Noem ons liever kunstenmakers,’ vervolgde hij. En voor de tweede keer die morgen schaterde Van Gogh uitbundig.

‘Kom laten we op het gras gaan zitten, het is mooi weer,’ zei Van Gogh en vaderlijk legde hij zijn arm om de schouders van het treurige meisje. Even later zaten de drie op het grasveld achter het groene bankje met uitzicht op de achterzijde van de rode molen. Nu ze zo dicht bij uitverkorenen zat en met hun in gesprek was, geneerde juffrouw Annette zich heviger dan ooit voor haar outfit. Het liefst zou ze haar kloffie verruilen voor iets vrouwelijks. Maar het was nu eenmaal niet anders, trouwens, de kunstmeneren droegen ook eenvoudige kleding.

‘Kunt u ook gedachten schilderen?’ vroeg ze plotseling. De twee schilders keken elkaar vragend aan. ‘U mag mijn dochtertje tekenen,’ vervolgde ze. Ze schrok van haar eigen uitspraak.

En zo geschiedde het dat juffrouw Annette die middag door twee kunstenaars uit de artiflat geportretteerd werd en dat er een heuse tekening van haar dochtertje op papier werd gezet. Vooral met dit laatste was ze als een kind zo blij. Intussen vertelde juffrouw Annette hoe het haar vergaan was hier in het hiernamaals. Ze vertelde over de verschrikkingen van het purgatorium, over de tentenkampen, het ongedierte, de mist en de eeuwige motregen, over haar onverwachte vrijheid, de reis naar Sint-Petrusburg, het bruine gebouw, haar vriendin Nokia, de slaapzaal, haar minimuminkomen en tenslotte haar werk bij de stadsreiniging. Haperend vertelde ze van haar wens om ooit eens een winkeltje te beginnen. De twee kunstenaars luisterden aandachtig naar haar ontroerende verhaal. Het ontging de twee schilders niet hoe ze tijdens haar relaas de tekening van haar dochter als een schat tegen haar hart gedrukt hield.

Nog diezelfde avond reisde juffrouw Annette met Vincent van Gogh en Lautrec met de slang naar Johannesburg. Daar aangekomen wist ze niet wat haar overkwam. Verrukt was ze over de rust die er heerste, het groen en het prachtige flatgebouw. En wat een vriendelijke zielen! Van alle kanten was de vrouw uit het wilde westen door de artibewoners verwelkomd. Niemand had naar haar afkomst gevraagd. Maar een ieder zag dat het een purgatijnse betrof. De dagen die volgden waren voor juffrouw Annette de mooiste sinds tijden. En het duurde niet lang dat zij haar droom in vervulling zag gaan en een winkeltje opende op de begane grond van de kunstenaarsflat: een wasserette.