Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

95 De arrestatie van Sjostakovitsj

De negenenzestig jarige musicus Dmitri Sjostakovitsj, woonachtend in het articomplex aan de rand van Johannesburg, was die middag opgepakt wegens wildplassen en openbare dronkenschap. Stadswachters hadden hem betrapt tijdens het plassen tegen de zijgevel van de Antoniuskapel. De wachters kwamen er achter dat de man onder invloed verkeerde. Bovendien zag hij er in zijn rode trainingspak verdacht uit. Zijn broek was gescheurd. De verdachte droeg een bril met dikke glazen. Hij rookte een sigaret, een tweede rustte achter zijn oor. Aanvankelijk had de boosdoener zich tijdens zijn arrestatie verzet. Maar uiteindelijk liet hij zich gewillig meenemen. Tussen twee opgetrommelde agenten werd hij vervolgens weggeleid. De agenten waren gehelmd en gewapend. Aan hun zware koppels bungelde een dikke stok. Om hun nek hing een fluitje. Sjors vond dat ze er in hun driekwart korte broek sportief uitzagen.

‘U weet waarom wij u meenemen,’ vroeg de één. De vragensteller droeg een dikke zwarte snor. De componist vond de man handtastelijk, want voortdurend nam hij hem bij de arm.

‘Mijn naam is Sjostakovitsj, met de voornaam Dmitri. Vrienden noemen mij Sjors. U heeft vast wel eens van mij gehoord.’ De snor schudde zijn hoofd en nam de arrestant wederom bij de arm. ‘Anders, uw meerderen,’ vervolgde Sjostakovitsj, ‘die hebben zeker van mij gehoord, ik ben tenslotte niet de eerste de beste.’

‘Komt u nu maar rustig mee.’

‘Rustig, rustig, protesteerde de musicus, terwijl hij zijn arm van de agent losrukte. ‘Laat u mij alstublieft los, u ziet dat ik een sigaret probeer te roken. En mag een man op mijn leeftijd misschien een biertje drinken?’ De snor lachte. Zijn kameraad, een magere jongen, eigenlijk helemaal geen politieagent, grinnikte mee.

‘Een biertje, laat me niet lachen, u heeft zeker een vat op, u kunt niet meer fatsoenlijk op uw benen staan,’ sprak de snor minachtend. ‘Komt u nu maar mee, tegenstribbelen heeft geen zin, mijnheer Sjors.’ De beambte nam de componist nog steviger bij de arm.

‘Sjostakovitsj is de naam,’ zei hij nog eens. ‘Alleen vrienden noemen mij Sjors. Zover ik weet hebben wij nog geen vriendschap gesloten. En wilt u niet zo in mijn arm knijpen?’ De magere agent had nog geen woord gezegd. Hij was in de ogen van Sjostakovitsj een beginneling. Het drietal sloeg de Kapellerlaan in.

‘U weet ook dat u niet in de openbaarheid mag wateren.’ De snor knikte naar de Antoniuskapel, die ze op dat moment passeerde. De magere agent schoot in de lach.

‘Moet ik misschien mijn blaas laten klappen,’ verdedigde de componist zich. ‘U weet dat het ophouden van de plas schadelijk kan zijn.’ De aangeschoten Sjostakovitsj mopperde voort, merendeel onverstaanbaarheden. Ze liepen richting Kleine Ring waar het politiebureau zich bevond.

‘Vertelt u liever alles aan de commissaris,’ zei de snor.

‘Deze zal zeker van mij gehoord hebben,’ zuchtte de vermoeid wordende Sjostakovitsj. ‘Ik ben namelijk de componist van de Welkomstsymfonie die hier onlangs tijdens de Dag des Heren door de Johannes Philharmonic Orchestra voor de Heiland heeft geklonken. Maar uw soort heeft geen weet of gevoel voor serieuze muziek denk ik zo.’ Het trio liep voort. Voor een moment werd er gezwegen. Bang al zou deze ontsnappen, hield de snor de ongelukkige componist soms behoorlijk stevig vast. Groepjes zielen keken belangstellend toe. ‘Ik loop hier flink voor schut,’ hijgde Sjostakovitsj. ‘Houdt u mij alstublieft niet meer vast. Ik zal zonder verzet met u meelopen.’ De ongelukkige geneerde zich duidelijk voor de zielen die hem aangaapten. Waarom droeg hij nu juist op deze sombere dag een trainingspak. Verschillende bleven staan en wezen hen na. ‘Wat een toestand,’ zeurde Sjostakovitsj. ‘Kunnen we misschien haast maken, want ik moet weer erg plassen.’ In plaats van zelf haast te maken nam hij de reserve sigaret van achter zijn oor.

‘We zijn zo op het bureau,’ verzekerde de snor. ‘Daar kunt u plassen en poepen zo veel als u wilt.’ De snor gaf zijn arrestant een vuurtje. De magere agent grinnikte weer. Ze sloegen links af de Kleine Ring op. Even verderop, een kleine honderd meter, bevond zich het politiebureau, een donkerbruin houten barak met aan de gevel in vette witte tekst Uw zonden, onze zorg.

Sjostakovitsj was pissig. Hij stond met de magere agent in het toilet. Hij voelde zich ongemakkelijk.

‘Wilt u misschien voor u kijken,’ vroeg hij de agent. En wat mij betreft kunt u uw helm wel afzetten. Ik ben ongevaarlijk.’ Bij gebrek aan een gulp liet hij zijn trainingsbroek tot aan de knieën zakken.

‘Excuses,’ sprak de agent zacht en draaide zich om. ‘Geloof me, dit is mijn hobby ook niet,’ verontschuldigde de man zich. Terwijl de componist zijn plasser tevoorschijn haalde moest hij denken aan Nokia, zijn kleine vriendin. De componist schudde zijn hoofd. Wat zou hij nu graag bij haar geweest zijn. In plaats daarvan stond hij nu in een onbekend urinoir. Hij ledigde zijn blaas. Hij zag dat het schuim er op stond. Hij had trouwens dorst. Maar bier zouden ze hier zeker niet schenken. Toen het plassen opgehouden was, voelde hij zich plotseling draaierig…

De leider keek S. vanachter zijn bureau geringschattend aan. ‘Zo mijnheer, u bent dus degene die muziek componeert waar het volk niets aan heeft. Weet u wel dat wij u heel gemakkelijk op transport kunnen zetten?’ S. voelde het zweet over zijn rug druppelen. ‘Kunt u mij misschien aankijken als ik tegen u spreek?’ S. keek de tiran aan. Wat had hij een hekel aan de man met de rotkop waaraan een kwijlende snor kleefde. Al zijn kameraden waren door zijn toedoen verdwenen, vermoord of verbannen, verbannen naar verre oorden, verbannen naar werkkampen waar hun een langzame dood wachtten. Naar de hel met hem! ‘Weet u wat u doet,’ vervolgde de leider vanachter zijn reuze bureau. ‘Componeert u een symfonie voor het volk en zijn leider. U zult rijkelijk beloond worden. Wat denkt u daar van?’ S. zweeg. Hij moest er niet aan denken voor deze klootzak een werk te componeren. Hij liet zich liever naar Siberië transporteren. ‘Lukt dit u, dan zullen wij u verder met rust laten. Anders zullen u en uw vrouw moeten verhuizen, als u begrijpt wat ik bedoel.’  ‘Ik zal mijn best doen, stotterde S.’ ‘Daar ga ik van uit. Goedendag.’ De leider boog zich weer over zijn papieren, papieren met namen van aankomende slachtoffers. Buiten het paleis werd hij opgewacht door twee geheime agenten. ‘Wij hebben opdracht om u veilig naar uw appartement te brengen,’ zei de grootste van de twee. Zijn collega, een magere bleke man, fluisterde hem in het oor dat hij vooral voorzichtig moest zijn en de grote leider moest gehoorzamen. ‘Ik zal het proberen,’ zei de doodsbange S, waarna ze in een groene jeep stapten.

Toen Sjostakovitsj de volgende morgen ontwaakte had hij een bonkende hoofdpijn. Hij had een vieze smaak in zijn mond en had dorst. Hij richtte zich moeizaam op. Ook zijn rug deed pijn. Niet zo verwonderlijk, want hij lag op een houten bank. Was het avond, nacht of al morgen. Hij wist het niet. Hij had op dit moment geen idee van de tijd. Toen hij goed keek, zag hij dat hij in een cel terecht gekomen was. Had hij het dan niet gedroomd? Had Stalin hem vastgezet? Zou hij op transport gezet worden? Verschrikt keek hij in het halfdonker om zich heen. Aan het voeteneind lag zijn rode trainingsjack. Hij kon zich niet herinneren dat hij het jack had uitgedaan. In zijn trainingsbroek zat een lelijke scheur. ‘Ik kan wel janken,’ zuchtte hij.

‘Is daar iemand?’ riep hij. Maar zijn stem deed het niet zo goed. Hij schraapte zijn keel en herhaalde zijn roep. Niemand reageerde. Hij herinnerde zich zijn nachtmerrie. Maar het volgende moment wist hij weer dat hij in een politiecel in Johannesburg zat. Hij wreef over zijn voorhoofd, daar zat een lelijke bult. Was hij geslagen of gevallen? ‘Is daar iemand,’ riep hij weer. Het bleef stil. Hij had dorst, hoofdpijn en zin in een sigaret. De componist ging op de rand van de houten brits zitten en trok het rode trainingsjack over zijn hoofd. Zijn bril vond hij onder de houten bank. Hij zocht tevergeefs naar zijn sigaretten. Iemand rommelde aan het luikje. De deur werd geopend. In de opening verscheen de magere agent die hij eerder had gezien.