Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

8 De bevrijding

Vrouwen met brandende fakkels, gehuld in witte gewaden en op paarden gezeten waren die nacht onverwachts het vrouwenkamp nabij het Louteringsgebergte binnengereden en hadden honderden purgatijnse vrouwen, waaronder juffrouw Annette, aangewezen en meegenomen.

Even leek daar paniek. De angst sloeg eenieder om het hart. Het zou toch niet waar zijn. Ze zouden toch niet van de ene op de andere dag alsnog verdoemd zijn tot het hellevuur? Of was het andersom en wachtte hen het paradijs? Dit laatste was het meest waarschijnlijk, want het vagevuur gaf uiteindelijk toch toegang tot de hemel. Waar dan toch die vertwijfeling?

Maria, werd er plotseling van verschillende kanten geroepen. En toen wist men het weer. De twijfel sloeg over in opluchting en vreugde. Het was immers middernacht, het begin van de Mariafeesten. Hoe had men dit kunnen vergeten?

Commando’s klonken. Er werd gehuild, gekrijst, ja zelfs akelig gevloekt. Met alle geweld wilden de achterblijvers een plaatsje veroveren in de rijen die er door de witte ruiters gevormd werden. Iedereen wilde er bij horen. Maar de meesten werden meedogenloos naar hun tentje teruggedreven. Juffrouw Annette wist niet wat haar overkwam. Was zij een uitverkorene? Ze kon het nauwelijks geloven. Maar toen haar een nummer werd omgehangen met een Maria-logo en ze een plaatsje kreeg in één van de tientallen rijen leek het tot haar door te dringen.

 

Voor haar lag de vrijheid. Van het ene op het andere moment voelde ze zich verlost van haar aardse schulden. Wat precies de reden was van haar onverwachte verlossing, God mocht het weten. Net zo min als ze wist waarom ze ooit in het purgatorium terecht was gekomen. Weg waren haar schuldgevoelens over het kwade dat ooit was geschied en waar ze dagelijks mee bezig geweest was. Hoe vaak had ze zich niet afgevraagd waarom ze met het vagevuur was gestraft. Was het misschien haar echtscheiding geweest? Want stond er niet zwart op wit in de Bijbel dat geen mens mag scheiden wat God heeft samengebracht? Of was het de abortus die ze had laten plegen. Of haar geheime verhouding met één van haar cursisten, een vader van drie kinderen. Of had ze haar straf moeten ondergaan omdat ze haar dochtertje niet had laten dopen? Hoe dan ook, het waren in ieder geval geen doodzonden geweest. Halleluja!

Maria, Maria, werd er nu van alle kanten geroepen. Wees gegroet. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen! 

 

Marcherend in pelotons waren de gelukkigen richting Dies Irae geleid. Als een elitekorps hadden ze schouder aan schouder gelopen. Gedisciplineerd en in de maat. Links, twee drie vier. Links, twee drie vier. Spreekkoren herhaalden keer op keer het Onzevader en het Weesgegroet. Fanatiek opgestoken vingers lieten het V-teken zien. Uit de kelen schalden liederen als Dank dank nu allen God, Prijs den Heer met blijde galmen, en U zij de glorie. Katholieken en protestanten zongen gezamenlijk Kyrie eleison, Christe eleison. Juffrouw Annette genoot van de zang, het handgeklap, de gebeden. Met een wildvreemde aan haar hand had ze meegezongen, maar echt geluid was er nauwelijks uit haar keel gekomen.

Gaandeweg, toen men zich realiseerde dat het menens was en dat ze op weg waren naar de hemel, de zevende hemel nog wel, leek de tocht een feest te worden. Er werden nu ook aardse liederen gezongen als: We gaan naar Zandvoort, al aan de zee, we nemen broodjes en koffie mee… Gejuich ging op toen de stoet de eerste mannenkampen naderde. Honderden jongens en mannen, opgejaagd door ruiters, voegden zich tussen de vrouwenrijen. Wildvreemden vielen elkaar in de armen. Stelletjes werden gevormd. Er werd geknuffeld en gekust.

Toen de stoet van purgatijnen, na een twee dagen lange voettocht de gerechtsgebouwen van het Dies Irae passeerde, verkeerde iedereen ondanks de vermoeidheid in een juichstemming. Zo gedisciplineerd als men zich in het purgatorium had gedragen, zo ongeorganiseerd kwam de stoet in Nieuw Jeruzalem aan, de eerste stad in de zevende hemel.