Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

63 De plaksnor van Goethe

Vandaag had hij zichzelf een meisje beloofd. Gisteravond laat, toen hij in zak en as zat, nadat hij café de Nadorst was uitgevlucht en een wandeling had gemaakt had hij dit met zichzelf afgesproken. Als nooit tevoren had hij de afgelopen nacht last gehad van zijn maandelijkse ongemak, een welhaast chronische stijfheid van zijn geslacht. Het moge niet vreemd zijn dat hij hierdoor de afgelopen nacht bijzonder slecht had kunnen slapen. Zijn hunkering naar een vrouwenlijf was groot geweest. Meisjes en vrouwen waren die nacht zijn fantasie gepasseerd. Slank, volslank, piepjong tot ouder. Beeltenissen van zijn geliefden van weleer, van het aardse waren langsgekomen: Kätchen, Friederike, Lotte en Lili, Christianne, Minna, Marianne en Ulrike… Hij had ze als vanouds gekust, hartstochtelijk bevoeld en bemind. Maar ondanks zijn opwinding had hij zijn geslacht onberoerd gelaten. Hij had niets ondernomen. Hij zou het opsparen voor morgen.

Om half tien die morgen had hij de slang naar Sint-Petrusburg genomen. En nu, met een warm gevoel in de onderbuik, het bekende geile gevoel, wandelde hij door de nauwe straatjes en steegjes rond de rode molen in het centrum van de hoofdstad. Voor de zekerheid had hij een plaksnor opgedaan. En ook het bloemetjesoverhemd met omhoog gesteven kraag deed niemand denken aan de grote schrijver en dichter Wolf von Goethe, de schrijver van Werther, Faust en Erlkönig!

Het was een drukte van jewelste in het beroemde rondje en de steegjes die daar op uitliepen. Met de rode molen als middelpunt, als as van het rosse gebeuren flaneerden de lichte vrouwen in hun opzichtige, opwindende kledij. Wolf had ervaring met meisjesbezoek. Zeker eens in de maand kon je hem hier zien rondbanjeren. Hij verslond ze. Brutaal keek hij ze aan. Hij wachtte op hun glimlach, hij genoot van hun geile uitstraling. Hij kende de meisjes. Hij herkende de heerlijke schepseltjes in hun vitrines. Soms stak hij joviaal zijn hand naar hen op. Maar hij moest zich niet haasten. Ondertussen zochten zijn ogen naar nieuwe meisjes. Het geschikte meisje zou hij zeker tegenkomen.

Rond de klok van half elf had hij beet. Al drie keer was hij haar raam gepasseerd. Zij had geknipoogd. Hij had geglimlacht. Hij kon zich zo één-twee-drie niet herinneren dat hij haar hier eerder gezien had. Zo op het eerste gezicht was ze niet één van de jongste, maar dat boeide niet, het vonkje was overgeslagen. Nog eenmaal voorbijlopen besloot hij, en dan zou hij zijn slag slaan. Nauwelijks nog aandacht voor de andere flirtende en wenkende meisjes bekeek hij zichzelf in de spiegeling van hun etalages. Hij zag zijn opmerkelijke outfit, zijn plaksnorretje en zijn bloemetjesoverhemd.

Schoorvoetend, een beetje nonchalant liep hij nu voor de vierde keer naar haar raam op nummer 17a. Molensteeg, had hij zojuist gelezen. Daar hield hij halt. Bijna brutaal, met één hand in de zij en de ander onder de kin, al zou hij een kunstwerk keuren, keek hij haar onderzoekend aan. Ja dit was ze, dit moest ze zijn. Bij haar zou hij een uurtje doorbrengen. Deze vrouw moest hem van zijn ongemak afhelpen. De jonge vrouw stond van haar kruk op en bewoog zich naar het raam waar ze iets tegen hem probeerde te zeggen. Hij verstond haar echter niet. De vrouw wees naar de deur. Wolf knikte. Een ogenblik later stond ze in de deuropening voor hem.

‘Daar ben je dan,’ zei de vrouw.

‘Ja, daar ben ik dan,’ antwoordde Wolf. Hij bekeek haar even van top tot teen. Hij keurde haar. Hij wilde zeker zijn van zijn zaak. Ze was blond, kort blond, tot boven haar schouders, van voren droeg ze pony. Een kilo of zestig, schatte hij haar. Ze droeg een laag uitgesneden zomerjurkje, waarvan de kleuren rood en groen overheersten. Met daaronder een B-cup, schatte hij. Een flinke B-cup. Wolf hield van gekleurde zomerjurkjes. Hij hield van flinke B-cups.

‘Hoe is het,’ vroeg ze. ‘Waarom kom je niet gezellig binnen?’ Ze legde een hand op zijn schouder. Gewillig liet Wolf zich daarna naar binnen leiden. Hij liep achter haar aan een smal gangetje in en keek naar haar brede schouders. Een beetje atletisch figuur vond hij. Ze was iets kleiner dan hij, misschien vijf centimeter. Stevige benen onder haar jurkje en een forse vrouwenkont. Wolf hield van dit soort konten. Hij had lust om haar direct bij de billen te vatten.

Rustig Wolf, beval hij zichzelf. Ze droeg het jurkje kort, maar niet te kort. Niet ordinair. Hij hield niet van ordinair. Je trof Wolf von Goethe zelden bij een ordinair hoertje. Hij verafschuwde meisjes die in hun slip en blote tieten in hun etalage zaten. Hij gunde deze dan ook geen blik. Vijftien centimeter boven de knie droeg de vrouw die voor hem liep haar zomerjurkje en… heerlijke blote benen. Nu al fantaseerde hij over de kleur en de stof van haar slipje. Het zou echter zomaar kunnen dat ze er geen droeg. Dit scheen tegenwoordig mode te zijn. Wolf echter hield van onderbroekjes. Hij vond een stukje stof meer opwindend dan bloot. Ze had ook stevige armen, zag hij. Maar het geheel oogde absoluut niet dik, eerder sportief. Het zou hem niets verwonderen al zou ze aan fitness doen. Stoer, ja dat was het juiste woord. Hij vond haar stoer!

‘Kom verder,’ zei ze. Ze opende de deur naar haar kamertje. Er stond een tafel tegen de muur met twee bijpassende stoelen. Verder een tweezits zwartlederen bank en een allesoverheersend groot bed. Misschien wel een drie persoons bed. Verder een wastafel met daaronder een krukje met daarop een grote stapel handdoeken. De spiegel boven de wasbak meldde met rode lipstickletters de prijzen: Vluggertje 100 zilverlingen. Halfuur 250 zilverlingen. Heel uur 400. Nacht 1000 zilverlingen. Posters met toeristische attracties sierden de muren van de kleine kamer, waaronder de rode molen van even verderop, bloemenpracht en de Here Jezus Christus Kathedraal met zijn gouden koepel in Voorstad Sint-Jacoba en de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Mozestown. Boven het bed hing een schilderij met een huilend meisje. Een ventilator draaide. Het rook er naar een parfumwinkel. De vrouw ging op de rand van het bed zitten.

‘Je hebt mij uitgekozen, zei ze, ga zitten.’ Ze klopte met beide handen links en rechts naast zich op het bed. Maar Wolf negeerde haar uitnodiging. Hij nam een stoel van onder de tafel en ging voor haar zitten met de rugleuning tegen zijn borst. Hij hield niet van zitten op een zachte ondergrond. Hij hield van een actieve zit. Een bank waar je in wegzakte was niets voor hem. ‘Ik ben Lieve en jij?’ Ze had grote lippen en bruine ogen. Haar stem klonk laag, bijna hees. In een koor zou ze met de tenoren mee kunnen zingen.

‘Koos’ loog hij. ‘Ik heet Koos.’ Hij gebruikte dikwijls een schuilnaam. Niemand had er belang bij om zijn werkelijke naam te weten. Vooral niet in een buurt als deze. Wolf moest er niet aan denken dat er over hem gekletst werd. Niemand mocht weten dat hij zich regelmatig in de rosse buurt van Sint-Petrusburg ophield. Goethe bij de lichte vrouwtjes? Niets daarvan. Hier heette hij Koos, Koos met de snor. Trouwens, wie zei hem dat de vrouw tegenover hem werkelijk Lieve heette en niet Trees of Annie?

‘Wat wil je Koos?’ De vrouw knikte naar de spiegel. Ze nam zijn hand.

‘Ik wil jou.’

‘Je snorretje hangt trouwens op half zeven,’ lachte Lieve.

‘Ach nee toch,’ schrok Wolf. Hij liep naar de wastafel en bekeek zich in de spiegel. De vrouw had gelijk, zijn snor was aan één kant afgezakt. Hoelang zat hij wel niet met een afgezakte plaksnor tegenover haar? Hoelang zat hij hier al voor schut? Met een rukje trok hij het snorretje af. Daarna nam hij weer plaats op de stoel tegenover de vrouw die nog steeds op de rand van het bed zat. Ze zat daar nog steeds in haar zomerjurkje. Ze lachte mooi vond Wolf. Ze had grote tanden. Ietsje te groot. Het leken hem inplanttanden, maar hij kon zich vergissen. Hij schaamde zich niet voor het voorval met het snorretje. Misschien een teken dat hij zich hier wel op zijn gemak voelde.

Toch schortte er iets aan zijn bezoek aan deze vrouw. Want terwijl hij nu zeker al een kwartier bij haar was, was er nog niets tussen hen voorgevallen. In ieder geval niets seksueels. Gek, want daar was hij toch voor gekomen. Of het moet geweest zijn dat ze haar benen, gewild of ongewild zo af en toe een weinig uit elkaar liet gaan. Maar dit kon net zo goed een zenuwentrekje zijn. Als ze het met opzet deed, om hem te verleiden, was het best geraffineerd. Zelf zat hij ook dikwijls met zijn been te trillen, maar dit was op en neergaand. Hoe vaak had hij zijn omgeving niet tegen hem horen zeggen: Wolf, zit eens stil, zenuwpees! Ze had heerlijke benen, vond Wolf. Maar gek genoeg voelde hij nog steeds geen opwinding. Hij had trouwens ook niet het idee dat ze hem op temperatuur probeerde te krijgen. Of waren het toch die open en dichtgaande benen? Ze kon natuurlijk ook een beginneling zijn, dacht hij. Of lag het aan hem? Nu ja, afwachten maar. Misschien moest het allemaal nog komen. Hij stak een sigaret op en bood er Lieve ook één aan. Ze rookten.

‘Ik schat je achtendertig jaar, loog Wolf nadat ze een tijdje zwijgend voor zich uit hadden zitten staren.

‘Dankjewel,’ lachte Lieve hartelijk. ‘Dankjewel Koos, wat aardig. Maar doe er gerust een paar jaartjes bij.’

‘Ik zit er ver naast?’

‘Je maakt me verlegen.’ En weer zwegen ze. Wolf keek nog eens in de rondte. Hij zag plotseling dat de gordijnen niet gesloten waren. Hij zat doodleuk in de etalage. Hij zat daar samen met een prostituee te kijk. Weliswaar met de rug naar het raam. Maar hij vond dit alles behalve aangenaam.

‘Weet je al wat je wilt,’ vroeg Lieve. Ze zag dat hij ongemakkelijk om zich heen zat te kijken. Doormiddel van een knikje richting het raam gaf Wolf te kennen dat hij zich niet op zijn gemak voelde. Lieve stond op en sloot de gordijnen. ‘Zeg het maar,’ zei ze toen ongeduldig. ‘Zeg nu eens eindelijk wat je van plan bent met me te gaan doen.’ Ze legde een hand op zijn schouder.

‘Ik wil met je vrijen,’ antwoordde Wolf. Maar hij had al direct spijt van zijn antwoord. Want waar waren op dit moment zijn lusten? Wel streelde hij met zijn hand aan het bloot onder het jurkje. Met de toppen van zijn vingers raakte hij even de stof van haar broekje aan. Vervolgens ging hij door met het strelen van haar bovenbenen.

‘Goed jochie, ik wil met jou ook wel rollebollen.‘ Ze nam zijn hoofd in haar handen en gaf hem een kusje op de mond. Ze rook naar sigaretten. ‘Maar kom dan alsjeblieft bij me op bed, want zo is het niks. Of had je iets speciaals in gedachten?’ Demonstratief liet ze zich daarna achterover vallen. Ze bleef liggen met haar knieën omhoog. Wolf had nu een prachtig uitzicht onder haar zomerjurkje. Begerig keek Wolf naar haar blote benen. Maar op de één of andere manier had hij nog geen trek om naast haar te komen liggen. Wat was er met hem aan de hand? ‘Nou?’ vroeg Lieve, weer ongeduldig. ‘Kom je nog?’ Wolf stond op en legde zich naast Lieve neer. Deze draaide zich naar hem toe en begon de knoopjes van zijn overhemd los te maken. Daarna streelde ze zijn borst. ‘Vind je dit fijn?’ vroeg ze. Ze draaide aan zijn tepels, die ogenblikkelijk reageerden.

‘Mmmm,’ antwoordde Wolf. Maar hij lag daar als een zoutzak. Jezus, schrok hij, ik ben mijn potentie toch niet aan het verliezen. Maar hij schoof deze gedachten direct opzij toen hij dacht aan gisternacht toen zijn geslacht ongenadig op drift geweest was. Maar waar bleef dan nu zijn hitsigheid?

‘Kom Koosje, een beetje actief,’ fluisterde Lieve in zijn oor terwijl zij aan de sluiting van zijn pantalon zat te frutselen. Wolf sloot zijn ogen en plotseling zag hij Lili, zijn blonde vriendinnetje van weleer. Verdomd haar naam leek op die van deze vrouw. Maar haar schoonheid, haar jeugd daar kon deze vrouw niet aan tippen. Zijn kleine Lili. Hij voelde hoe Lieve zijn broek opende. Hoe ze hem begon te strelen. Maar hij dacht aan Lili. Hij zocht naar haar borstjes. Lili had gevoelige borstjes. Hoe vaak had hij haar niet een orgasme bezorgd door aan haar tepeltjes te zuigen. ‘Goed zo jongen,’ fluisterde Lieve in zijn oor, terwijl ze hem begon te masseren. Raar hoor, dacht Wolf dat hij opgewonden moest worden door aan zijn meisje uit het verleden te denken. Hij zag de zee. Voor de dagjesmensen die hen over het Hollandse strand zagen lopen waren zij vader en dochter. Maar de twee wisten beter. Hij, Wolf von Goethe, de man reeds op leeftijd liep daar op blote voeten in het Noordzeewater met zijn zestienjarige geliefde Lili. De zee had een enorme aantrekkingskracht op zijn meisje. Hij had haar een keer zien huilen toen ze tot haar middel in het water stond. Na het water zochten ze beschutting in de duinen. Ze zochten naar een plekje waar hij haar borstjes kon kussen… ‘Goed zo jongen,’ fluisterde Lieve weer. ‘ Zo gaat ie goed.’ Wolf opende zijn ogen en keek naar de vrouw die hem nu ging plezieren. Wat een geluk, zijn geilheid was er weer.