Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

38 De zesde etage

Een eerste aanblik op de galerij van de zesde verdieping van de artiflat maakte je niet bepaald vrolijk. De soberheid sloeg je in de hal reeds tegemoet. Een doods rotanclubje met op het ronde matglazen tafeltje een bosje plastic viooltjes en een grote ronde rood-witte asbak, met daarin enkele sigarenstompjes eens toebehorende aan de heer Robert Schumann van nummer 603, waren de enige attributen welke de entree zou moeten opbeuren en een idee van gezelligheid doen uitstralen. Maar niets van dit alles. Zelfs geen kleed op het spiegelgladde linoleum. Geen schilderijtje aan de wand, geen stukje beeldhouwwerk, zelfs geen aardige welkomstspreuk sierden het grijs grauwe betonnen geheel van de ruime hal van deze zesde etage. Voeg daarbij ook nog toe de onvriendelijke lichtbakjes aan het plafond, waarvan er een aantal hinderlijk knipperden en de soberheid was compleet. Nee, vergeleken met de meeste entrees was dit alles armoe troef. Heerste er op de zesde misschien ruzie, of was het de mannengemeenschap die hier woonde?

Inderdaad, het ging hier op de zesde om een grijze mannengemeenschap. Al woonde aan het einde van de galerij, op nummer 606, een vrouw, een geheimzinnige vrouw, de non Von Bingen, in de volksmond Frau von Bingen. De non leek met niemand iets te doen te willen hebben. Haar luiken waren meestal gesloten. Je zag haar enkel als ze zich in snelle tred naar een godsdienstoefening begaf naar één van de kerken die de stad rijk was. Uit niets viel op te maken dat hier een aantal kunstenaars van de bovenste plank huisden.. Inderdaad, huisden, waarmee eigenlijk alles was gezegd. Want met uitzondering van de musici, de heren Mendelssohn van 602 en de eerder genoemde Robert Schumann was er op de zesde nauwelijks sprake van sociaal contact.

Het was vroeg in de morgen. Op de galerij van de zojuist besproken zesde etage heerste een absolute stilte. De dertig meter lange galerij lag er mistroostig bij. Hier en daar stond er wat schoeisel en een zakje vuil op de matjes voor de deuren. Doch binnen de appartementen heerste een ongewoon levendige drukte. De bewoners waren opvallend vroeg opgestaan en leken voorbereidingen te treffen. Er werd gebadderd en gespetterd, strijkplanken stonden uitgeklapt, garderobekasten geïnspecteerd, rugzakjes gevuld, en geldkistjes geopend. De reden voor deze ongewone drukte binnenshuis, was het jaarlijkse uitstapje dat de zesde etage deze dag ten deel viel.

Om vijf minuten voor zeven opende zich voorzichtig, al zou er op dit vroege uur niet gestoord mogen worden, de eerste voordeur. Het was de heer doctor Anton Bruckner van nummer 601. Voordat hij zijn voordeur op dezelfde voorzichtige manier achter zich sloot, betastte en beklopte hij zijn grijze kostuum voor een laatste inspectie. De aanblik op deze kale tweeënzeventigjarige organist was op zijn zachtst gezegd grappig te noemen. Behalve dat de pijpen van zijn pantalon veel te kort waren (een gewoonte die de vrome man had overgehouden aan het bespelen van de voetpedalen van de kerkorgels op het aardse) maar ook het koddige rugzakje dat hij met veel moeite op zijn ietwat kromme rug probeerde te krijgen, maakte het figuur Bruckner enigszins lachwekkend. Op het moment dat de heer Bruckner zich naar de lift begaf opende zich de deur van zijn buurman Mendelssohn. De twee muzikanten begroetten elkaar met een weinig enthousiast knikje. ‘Het weer is in ieder geval goed,’ mompelde de heer Bruckner als ochtendgroet. Uit beleefdheid wachtte hij op zijn buurman, zodat zij getweeën de lift zouden kunnen nemen. Mendelssohn knikte. Het weer is hier altijd goed, zou hij bijna gezegd hebben, maar hij zweeg. Zoals gezegd knikte hij slechts.

Op hetzelfde moment dat de heren Mendelssohn en Bruckner zwijgend naar beneden zoefden, openden zich kort na elkaar twee andere voordeuren. Op nummer 603 verscheen het slaperige hoofd van de heer Robert Schumann. Merkwaardig genoeg gaf hij in geen enkel opzicht het idee aan de start te staan van een feestelijk uitstapje. Zijn ongeschoren hoofd en ongekamde halflange lokken alsmede een kreukelig plastic tasje waar hij zojuist twee dubbele boterhammen met pindakaas had in gepropt gaven weinig blijk van enthousiasme. Vrijwel tegelijkertijd opende zich huisdeur 605 van architect Antoni Gaudi. Beide kunstenaars wandelden naar de lift. Terwijl de heer Gaudi op de knop drukte om de lift naar boven te halen, stak de heer Robert Schumann een sigaar aan. Een moment later stapten zij in de lift. De twee stonden zwijgend tegenover elkaar. De rookontwikkeling welke de sigaar van Schumann veroorzaakte deed de ogen en keel van Antoni Gaudi hinderlijk prikkelen. Een beetje overdreven kuchte de bouwmeester twee maal en zei toen: ‘U mag hier niet roken, meneer Schumann.’ Gaudi knikte naar het verboden-te- rokenstickertje boven de spiegel. Maar hij had al direct weer spijt van zijn opmerking. Schumann scheen na te denken. Hij klopte demonstratief de as van zijn sigaar op de vloerbedekking en vroeg toen:

‘Heb ik misschien wat van je aan?’ Hij keek zijn mede lifter recht in het gelaat. Gaudi schrok van de onbehouwen toon van Schumann. Hij liet zijn hoofd zakken en keek naar zijn schoenen. Hij had de opmerking niet moeten maken, verweet hij zichzelf. Een blinde kon zien dat Robert de weg vandaag weer kwijt was. Uit de mondhoeken van Schumann druppelde een sliertje kwijl. Als een bezetene, al zou hij zijn buurman extra willen treiteren, trok hij aan zijn sigaar. Intussen bleef zijn blik genadeloos op zijn medepassagier gericht. ‘Heb ik wat van je aan?’ vroeg Schumann voor de tweede keer.

‘Nee nee nee, het is al goed,’ antwoordde de bouwmeester gehaast. ‘Rookt u rustig door. We hebben een mooie dag vindt u niet?’ Zonder antwoord te geven veegde Schumann met de onderkant van zijn mouw de nattigheid van zijn kin. De lift stopte op de begane grond, maar steeg ogenblikkelijk weer naar boven om de kunstschilder Jan Vermeer van 604 op te halen. De deur van 606 bleef gesloten.