Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

18 Dies Irae

Nadat Frank Zappa door engel Kees bij het Voorportaal was afgeleverd was hij naar het Dies Irae geleid, het immense gerechtsgebouw. Ondanks de aanwezigheid van honderden zielen, maar misschien waren het er ook wel duizenden, had er rust en eerbied geheerst. Velen hadden wezenloos voor zich uit zitten staren. Links en rechts waren gebeden gepreveld en bijbelteksten uitgesproken. Gezichten waren vertrokken van angst en aan de lopende band werden er toiletten bezocht. Frank zelf moest er trouwens ook knap gestresst uit hebben gezien, want hij herinnerde zich nog de prop in zijn maag, zijn jeukende geslacht, maar dat konden nog de naweeën van zijn kanker geweest zijn, het onophoudelijk getril van zijn rechterbeen en het eindeloze gepulk aan zijn sik. Ja, hij kende zichzelf. Soms had hij over zijn hele lijf gebeefd en had hij hetzelfde gevoel van pakweg twintig jaar geleden toen hij tijdens een concert door een overspannen fan het podium was getrokken en metersdiep in de orkestbak terecht was gekomen. Toen had hij, bang dat hij aan zijn verwondingen zou overlijden, ook over zijn hele lijf getrild. Maar of hij toen een gebedje had gedaan, kon hij zich niet meer herinneren. Zichzelf kennende zou hij best eens alle duivels uit de hel bij elkaar gevloekt kunnen hebben. Maar nu was alles anders. Nu zou hij eigenlijk moeten bidden… of iets van dien aard.

Samen met lotgenoten had hij, in afwachting van zijn proces, verscheidene uren in een gigantische wachtkamer gezeten. Een wachtkamer die leek op een fabriekshal. In plaats van machines hadden er tientallen in het beton vastgeklonken houten banken gestaan, banken zonder rugleuningen. Een tukje doen of even knikkebollen werd je hier onmogelijk gemaakt. Frank had gedacht aan zijn dagenlange dwaaltocht door de Eeuwige Jachtvelden. Hoe kapot hij geweest was, en hoe blij dat hij daar in ieder geval heelhuids doorheen gekomen was.

Hij en de anderen hadden zich bevonden in een grote koele ruimte waarvan de kale muren waren opgetrokken uit witte baksteen. Alles had koud aangedaan. Nergens glas-in-loodramen, nergens een kunstzinnig houtsnijwerk of christelijke versierselen. Alles was sober en hoogst ongezellig. Frank had een gespannen sfeer gevoeld. Je wilde maar één ding, zo snel mogelijk weg…

Naast hem had een huilende negerin gezeten, die alsmaar had geroepen: Heer vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Een hysterisch wijf had Frank haar gevonden. Hij wist vrijwel zeker dat zij een plaatsje in het hiernamaals zou krijgen. Behalve het zinnetje Heer vergeef het ons, had ze zittend op haar knieën en met haar hoofd naar boven gericht -als zou zich daar nog een hemel bevinden- een aantal godsdienstige liederen ten gehore gebracht. Het liefst had hij zijn handen voor de oren geslagen. Maar een stemmetje in hem had gezegd dat hij zich gedeisd moest houden. Op het aardse zou hij de eerste geweest zijn die zijn wenkbrauwen zou hebben opgetrokken. En hij zou zijn minachtende glimlachje tevoorschijn hebben getoverd. Maar in deze verschrikkelijke wachtkamer moest hij zich rustig houden en misschien wel een beetje eerbiedig zijn.

Even verderop had er een grote chinees gezeten met een wit verband om zijn hoofd. De man had met gesloten ogen, in zichzelf murmelend, onophoudelijk op zijn bank zitten te wippen. Was hij dement? Frank wist het niet en vragen doe je zoiets niet. In ieder geval had de man hem sterk doen denken aan de reus uit de film One flew over the cuckoo’s nest.

In de hoek van de hal had een verpleegster een krijsende baby tot bedaren proberen te brengen. Vreemd had Frank dit gevonden. Je doet een baby toch geen proces aan? Waarom zo’n kind niet direct het hiernamaals in? God was toch liefde, of niet soms? Het tafereeltje had Frank doen terugdenken aan een voorval bij hem in de straat op het aardse waar de moeder van zijn vriendje Harrie een baby had gekregen, een mongooltje. Het gedrochtje had slechts twee weken geleefd. Een tijdlang was het gezin in diepe rouw geweest, niet zo zeer door het overlijden van de baby, doch dat het kind niet gedoopt was en naar christelijk-gereformeerde maatstaven nooit in het hiernamaals terecht zou komen. Als achtjarig jochie had Frank dit al de grootste onzin gevonden.

Hij moest terugdenken aan het groepje soldaten dat tegenover hem had gezeten. Ze waren gezien hun bebloede kleding rechtstreeks van het front gekomen en hadden zo te horen flink de pest in. Ze hadden gevloekt en op de ruw betonnen vloer gespuugd. Volgens Frank waren het Joegoslaven geweest. Brutaal en gedurfd had hij het gevonden om zo vloekend je proces in te gaan. Ook had hij had zich geërgerd over hun dubbelzinnige opmerkingen aan het adres van de huilende negerin.

In het midden van het wachtlokaal had zich een glazen cabine bevonden. Achter het glas hadden geüniformeerde beambten toezicht gehouden. Hij herinnerde zich hoe hij voorovergebogen op de houten bank had gezeten, kijkende naar zijn bemodderde pantoffels. Hij had zich geschaamd voor zijn smerige regenjas. Uit luidsprekers had religieuze muziek geklonken, soms onderbroken door een mededeling van één van de toezichthouders uit het glazen hok. Zo werd de wachtenden herhaaldelijk gevraagd nog even geduld te hebben, daar de gaande processen vertragingen hadden opgelopen. Wijn en brood kon eventueel besteld worden. Soms hadden mededelingen in geheimtaal geklonken. Mededelingen die grotendeels bestonden uit lettercombinaties en getallenreeksen waar Frank Zappa in ieder geval niets van begreep.

Hoe was het mogelijk, had Frank alsmaar gezucht, zittende op het harde hout en wachtende op zijn proces, er was dus toch leven na de dood. Het was dus toch waar. De christenen, waar Frank nooit een hoge pet van op had gehad en waar hij zijn gehele leven op had afgegeven, hadden gelijk gehad. Maar waarom had die God niet een beetje meer zijn best gedaan om hem naar zich toe te trekken. Hij had toch best religieuze popmuziek gemaakt kunnen hebben of van hem part avant-garde gospel? Hij had toch evangelische songs kunnen schrijven en op het podium uit de Bijbel voorgedragen hebben? In plaats daarvan had hij aan een ieder die het horen wilde verteld dat de menselijke ziel niets anders was dan een mengsel van chemicaliën en elektriciteit. En dat een leven na de dood een sprookje was, een zoethoudertje zo gezegd. In zijn liedjes had hij gezongen dat religie een middel was om mensen volgzaam en dom te houden. Je moest geloven, dan kwam je in de hemel. Hij had openlijk kritiek geleverd op televisiedominees. Sterker nog, hij had ze uitgelachen en voor schut gezet. Ik geloof niet in een leven na de dood, hoorde hij zich nog tegen journalisten zeggen. Ik heb ook geen angst voor de dood, want wat is het alternatief? Eeuwig leven? Laat me niet lachen… En hoe luid had hij niet geapplaudisseerd toen hij een professor tijdens een lezing had horen verkondigen: Als één persoon lijdt aan waanzin noemt men dit krankzinnigheid. Als veel mensen tegelijk lijden aan waanvoorstellingen noemt men dit religie.

Hij was toch wel heel bruut tegen het geloof te keer gegaan, had hij zich beseft. Dat zou straks wat worden als hij getuigenis zou moeten afleggen. Nog dikwijls had hij zichzelf zien zitten in de wachtkamer van het Dies Irae. Frank Zappa de praatjesmaker, de schreeuwlelijk, bibberend, met de billen tegen elkaar, voortdurend zachte winden latend.