Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

15 Drinkende zielen

Om kwart voor vijf hinkte de zevenendertig jarige Lautrec van nummer 211 de Nadorst binnen. Zonder iets te zeggen klom hij op de lege kruk naast zijn vriend Vincent van Gogh. Met een vingertje gaf hij Wig te kennen om voor hem en zijn buurman iets in te schenken. Wig keek de kleine man vragend aan.

‘Doe maar hetzelfde,’ zei deze. Wig haalde de fles absint tevoorschijn. Lautrec knikte.

‘Poeh,’ zei Van Gogh.

‘Wat poeh,’ vroeg Lautrec.

‘Het is nog vroeg.’ Lautrec haalde zijn schouders op. Hij keek op zijn horloge en zag dat het over vijven was. Wig klokte de twee hoge glazen vol.

‘Hebben wij een houten b-bek?’ vroeg juffrouw Monroe overdreven luid. Lautrec negeerde haar opmerking. Het antwoord aan dwazen is zwijgen, mompelde hij binnensmonds. Bovendien zat ze drie plaatsen van hem verwijderd. Hij mocht haar niet en waarom zou hij haar dan wat aanbieden. Ze had hem meerdere malen in het bijzijn van anderen gekleineerd. In wezen had Lautrec wel oog voor het soort meisjes zoals juffrouw Monroe. Hij hield van hoerige typetjes en natuurlijk fantaseerde hij ook wel eens over het geile blondje van 102. Het was algemeen bekend dat zij het speeltje was van verschillende artibewoners. Ze hield het zowel met mannen als vrouwen. Lautrec vond het best. Hij had tot nu toe nooit uit haar doosje gesnoept en of dit er ooit van zou komen wist hij niet. Voorlopig haalde hij zijn plezier bij de meisjes rond de rode molen in Sint-Petrusburg.

Sjostakovitsj keek somber voor zich uit. Hij roerde met een lepeltje in zijn dode bier. Hij gaf niet de indruk de binnenkomst van de kleine man met bolhoed opgemerkt te hebben. Eigenlijk voelde hij zich uitgeblust. Hoeveel had hij er alweer achter de kiezen? Hij vroeg zich ook af waarom hij zich in het bijzijn van jan en alleman toch altijd zo druk moest maken over de politieke toestanden van zijn land beneden op de aardkloot. Wig haalde een vochtig doekje over de bar en ledigde de asbakken in een glimmend emmertje.

‘Zo, jongen, hoe is het allemaal?’ vroeg Lautrec aan zijn buurman en gaf hem joviaal een klap op de schouder. In plaats van antwoord te geven glimlachte Van Gogh naar zijn kleine vriend en hield bij wijze van toost zijn glas een weinig omhoog. ‘Santé,’ zei Lautrec. Hij nam een flinke slok van zijn pittige borrel. Voor een moment was het stil in de Nadorst. ‘Het is groen en hangt in de boom,’ verbrak Lautrec de stilte.

‘M-mogen wij ook meedoen?’ stotterde juffrouw Monroe met een kindstemmetje.

‘Wat was de vraag ook alweer?’ vroeg Wig, terwijl hij zijn klanten een schaaltje bitterballen voorhield.

‘Het is groen en hangt in de boom,’ herhaalde Lautrec. Maar niemand wist het. Lautrec zelf waarschijnlijk ook niet meer, want hij gaf het onderwerp van gesprek een volledig andere wending door tegen zijn buurman te zeggen: ‘Een beetje zin in het leven?’

‘Als je het nog niet wist, ik ben al een tijdje dood.’ Lautrec grinnikte om het mopje van zijn buurman. Uit zijn binnenzak haalde hij een klein doosje kleurpotloden. Met één van de potloodjes maakte hij een schrijfbeweging in de lucht. ‘Wig!’ riep hij toen. Vrijwel gelijktijdig scheurde Wig een stuk papier van een rol en legde dit op de bar voor Lautrec neer. Een irritant kereltje, die Lautrec, vond Wig. Soms tegen het brutale aan. Maar het was een goede klant, dus liet-ie het maar zo. Lautrec begon direct te schetsen. Op de achtergrond zette Wigs stereo een nieuw nummer in. Verder was het stil in het café. Juffrouw Monroe zuchtte een aantal keren moeizaam. Sjostakovitsj zat roerloos te staren in zijn half lege glas. Lautrec bewoog zich naar zijn vriend Vincent, knikte naar Sjostakovitsj en fluisterde: ‘Moet jij je geen zorgen maken om je buurman?’ Van Gogh keek zijn vriend vragend aan. ‘Zie je niet dat hij bezopen is?’

‘Dat is zijn probleem.’

‘Ik dacht dat jullie van de zevende sociale contacten met elkaar onderhielden.’

‘Ja, ja, ja,’ antwoordde Vincent. ‘Maar dat wil nog niet zeggen dat ik als kindermeisje moet optreden.’ Hij klopte ongeduldig zijn pijp leeg in de asbak. Van Gogh zag zichzelf langzaam maar zeker op het tekenpapier van Lautrec te voorschijn komen.

‘Hoe is het trouwens met de liefde?’ wilde Lautrec weten.

‘Rondje van de zaak,’ riep Wig luid en klingelde aan de grote koperen bel.

‘Ze is niet blij dat ik hier in het café zit ,’ mopperde Van Gogh.

‘Als jij maar blij bent,’ zei Lautrec. Hij kleurde de kiel van Van Gogh met blauw potlood in.

‘G-geef mij nog maar een neut,’ liet juffrouw Monroe Wig weten. ‘En dan stap ik op.’ Ze stak een nieuwe sigaret op. Ze vroeg zich af waarom ze hier te midden van een aantal zwakzinnigen aan de bar zat. Een beetje minachtend keek ze naar haar buurman. Zo te zien had deze hem al aardig zitten. Sjostakovitsj zat te knikkebollen. Het leek zelfs of hij op het punt stond in slaap te vallen. Ze kon het niet nalaten hem speels in zijn oorlelletje te knijpen. ‘Alles g-goed met je Sjors?’ vroeg ze met haar kindstemmetje. Sjostakovitsj schrok omhoog.

‘Ja, ja, ja, alles goed,’ antwoordde hij geërgerd. En in één teug sloeg hij zijn restje dode bier achterover.

‘N-nou ja, het was maar een vraag,’ zei juffrouw Monroe. Ze keek langs haar buurman naar de twee verderop. Van hen moest ze ook weinig hebben. Ze gruwelde van Lautrec, met zijn korte pootjes en veel te grote hoofd. En die rooie Van Gogh vond ze gewoonweg een engerd. Nee, ze zat hier onder haar niveau. Ze had zin in een echte kerel. Waarom kwam één van haar buurtjes niet even gezellig binnenstappen. Ze keek voor de zoveelste keer naar de ingang. Misschien kwam Pablo nog even langs. Meestal kwam hij om deze tijd. Hoelang was het alweer niet geleden dat hij even lekker met haar deed?

‘Koffie?’ vroeg Wig pedagogisch aan Dimitri Sjostakovitsj.

‘Wat koffie,’ antwoordde deze pinnig.

‘Nou ja, ik zeg maar wat,’ antwoordde Wig. Hij haalde zijn schouders op en zette een vers biertje voor zijn sombere klant.

‘Je laat je toch niet de baas spelen hè?’ waarschuwde Lautrec.

‘Ik zie Zusje graag,’ antwoordde Vincent.

‘Dat kan. Maar daarom hoef je niet de ganse dag handje handje te lopen.´

‘Ze is nogal een huiselijk type, weet je. Ze had bijvoorbeeld liever dat ik nu gezellig bij haar aan de thee zou zitten en een spelletje Scrabble met haar speelde.’

‘Heren, wat mag het wezen,’ vroeg Wig aan de twee kunstschilders.

‘Hetzelfde,’ zei  Lautrec. Van Gogh knikte instemmend naar zijn glas. Hij lustte er nog wel één. Hij was in een rare stemming.

‘Zusje heeft liever dat ik naar het veld ga om te werken in plaats met jou te schilderen,’ vervolgde Van Gogh. ‘Ze heeft het niet zo op het stadse en van Sint-Petrusburg moet ze helemaal niks hebben.’

Juffrouw Monroe rommelde in haar handtasje en haalde make-upspulletjes tevoorschijn. Ze keek in haar klapspiegeltje en trok een vies gezicht. Ze zag er niet uit. ‘Ik ga even p-plassen,’ mompelde ze. Maar niemand luisterde naar haar. Ze gleed van haar kruk en trippelde naar het toilet.

‘Blijf zo nog even zitten,’ zei Lautrec. Deze was bezig zijn schets van zijn vriend te voltooien. ‘Je moet je niet vastzetten op één vrouw. Er zijn meer lieve vrouwtjes in de zevende hemel. Juffrouw Annette bijvoorbeeld. Heb je al gemerkt dat ze een oogje op je heeft?’

‘Je lult uit je nek,’ antwoordde Vincent. Hij veranderde van kleur.

‘Maar heb je dan niet gezien hoe ze altijd naar jou zit te koekeloeren? Grijp je kans man, het lijkt mij een fantastische meid! En dat Zusje, ik weet het zo net nog niet, ik vind het maar een burgerlijk trutje. In ieder geval niks voor jou. Sorry hoor.’

Op dat moment klom juffrouw Monroe weer op haar kruk en stak een sigaret op. Even later bewonderden de aanwezigen in café de Nadorst het portret van Van Gogh dat zojuist door Lautrec was geschetst. Zelfs juffrouw Monroe sprak vol bewondering over het kunstwerkje. Alleen Sjors had geen oog voor de schets, deze zat te knikkebollen op zijn kruk.

‘W-wilt u mij ook een keertje tekenen?’ vroeg juffrouw Monroe.

‘Tuurlijk, lieve schat, zeg maar wanneer ik bij je langs kan komen,’ antwoordde Lautrec.

‘K-kan dat hier dan niet?’

‘Nee, poezekindje, voor jou heb ik meer tijd nodig. Van jou wil ik iets speciaals maken,’ zei  Lautrec. Hij keek haar veel betekenend, een tikkeltje geil aan.

Om kwart over vijf trad juffrouw Annette de Nadorst binnen. Ze had een pakketje onder haar arm en keek om haar heen.

‘Nee maar,’ zei Wig, ‘ U hier?’ Een ieder keek verwonderd naar de vrouw die zojuist het café was binnen gekomen. Want juffrouw Annette kwam maar zelden in de Nadorst.

‘Meneer Van Gogh was zijn wasgoed vergeten,’ zei juffrouw Annette.

‘Een kut smoes,’ fluisterde Lautrec, terwijl hij zijn vriend aanstootte. Van Gogh kleurde tot diep in zijn nek.

‘Wilt u iets drinken van de zaak,’ vroeg Wig. Maar juffrouw Annette was alweer weg.