Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

69 Een doodverhaal

Het jongetje schrok wakker van een klap. Was het een klap van een deur, of was het dak ingestort? Was het een harde klap geweest? In ieder geval was hij er wakker van geworden. Hij durfde zijn ogen niet te openen. Hij was niet thuis, dat voelde hij direct. Hij was niet in de bloemenstad. Hij was niet in Gebouw 8, het huis waarin hij samen met andere achtjarigen woonde. Hij was niet op de slaapzaal bij de andere kinderen. Hij was nu niet bij Lucas, Boris en Tomek. Gek, dat hij nu aan hen moest denken. Lucas, Boris en Tomek waren zijn allerbeste vrienden. Hun bedden stonden dichtbij elkaar, helemaal achter in de slaapzaal. Lucas zijn bed stond tegen de muur, Boris zijn bed rechts van hem en Tomek tegenover hem. Lucas was zijn aller allerbeste vriend. Hij zat ook naast hem in de klas. Lucas was een kei in zwemmen. Hij was de beste van de groep. Hijzelf durfde nauwelijks in het water, laat staan dat hij kon zwemmen. Zwemles vond hij het ergste dat er bestond. Hij had watervrees, had meneer Cesar de zwemleraar eens gezegd.

Als Lucas zijn doodverhaal vertelde moest het jongetje altijd huilen De andere kinderen waren ook heel vervelend doodgegaan. Maar Lukas was gewoon zijn beste vriend. Lucas was het hiernamaals binnengekomen toen hun huis in brand had gestaan. Lucas wist niet zeker of zijn zusje ook bij de brand was doodgegaan. Soms hoorde hij Lucas in zijn droom om zijn zusje roepen. Brand! Brand! riep Lucas dan, maak dat je weg komt! In het Sint-Lucashospitaal had hij een nieuwe huid gekregen en ook nieuwe krullen op zijn hoofd, want hij was helemaal kaal verbrand.

Het rook hier vreemd. Waar was hij? Links en rechts klopte hij op het bed. Dit was niet zijn bed. Dit bed was veel groter en zachter. Was het nu al morgen, of was het nog avond? Misschien waren zijn vrienden nog niet eens in de slaapzaal. Nog steeds met gesloten ogen ging hij rechtop zitten. Hij telde tot drie en opende toen zijn ogen. Onwennig keek hij om zich heen. Hij kon alles zien, het was nog licht. Maar waar was hij? Was hij in het huis van zijn vader? Had hij hem al ontmoet? Hij kon het zich niet herinneren. Hoe was hij hier trouwens gekomen? Wie had hem uitge­kleed en in bed gestopt? Had de mevrouw moeder Maria dat gedaan of mevrouw de zangeres misschien? Hij wist het niet meer. Zijn kleren hingen keurig over de stoel naast zijn bed, net als in de slaapzaal.

Boris, zijn één na beste vriend was ‘s avonds altijd slordig met zijn kleren. Hij kon niet goed vouwen, zei hij. Aan het voeteneind van ieder bed stond een houten stoel en daar diende je ’s avonds voor het slapen gaan je kleren netjes overheen te hangen. Ook was Boris zijn bed nooit netjes opgemaakt. Boris was een sloddervos had de moeder van het huis eens gezegd. Boris was door een granaat het hiernamaals binnengekomen. Als Boris zijn verhaal vertelde zag je hem nog altijd aan de plekken voelen waar de scherven in zijn bast waren gekomen. Boris droomde ook wel hardop. Maar in tegenstelling tot Lucas, die soms hele verhalen in zijn droom vertelde, zei Boris slechts één woord: hollen! hollen! En als hij dan ook nog eens vertelde dat zijn moeder toen hij klein was gestenigd was, ging er een huivering door de vriendenkring.

Hij duwde de dekens van zich af en keek de vreemde kamer in. Hij keek naar de deftige dikke gordijnen met gouden kwastjes en naar de grote statige kast met spiegel­deur recht tegen­over hem. Naar de grote schil­de­rijen met woeste zeeën, donkere bossen en wilde dieren. Naar de kristallen kroon boven hem en de gouden kaarsenstandaards aan de muur. Naar het dikke tapijt op de vloer en de reusachtige staande klok met paarden op het dak. Hij rook de geur van deftig­heid. Het kon niet anders dat zijn vader een voornaam man was. Maar plotse­ling werd hij bang. Want stel je voor dat zijn vader het hele­maal niet leuk vond om hem terug te zien.

Het jongetje stapte uit bed en kleedde zich aan. Daarna liep hij naar het raam en schoof de gordijnen opzij. Van schrik deed hij een stap achteruit. Kut, wat een hoogte! Zijn vader woonde bijna in de wolken! In de verte zag hij een kerk, maar dat was niet de Here Jezus Christus Kathedraal. Ook zocht hij tevergeefs naar de gekleur­de gebouwen van het Kinder­paradijs waartussen zich ook Gebouw 8 bevond. Hij kreeg tranen in zijn ogen toen hij andermaal aan Lucas, Boris en Tomek moest denken. Tomek was zijn twee na beste vriend. Tomek was op het aardse door een vrachtwagen overreden. Hij had zijn eigen hoofd onder de wielen horen kraken. Maar dat geloofde niemand.

De moeder van Gebouw 8 hield eens per week een kringgesprek met haar achtjarige zieltjes. Het jongetje kende zo langzamerhand de doodverhalen van zijn vriendjes en vriendinnetjes. Verhalen over jeugdkanker, verdrinkingsdood, achtbaan ongeluk, ontvoering en moord, hongerdood, aids, gaskamer… Als het jongetje aan de beurt was leek het alsof de anderen op het puntje van hun stoel gingen zitten want zij wisten wat er komen ging. Zij vonden het verhaal van het jongetje het mooiste verhaal van iedereen. Hij was hartstikke ziek geweest, toen hij in de armen van zijn vader rijdend op een dravend paard in een donker bos naar huis was gereden en daar was doodgegaan. Ja, dat was nog eens cool, vonden zijn vrienden. Niet doodgaan door een auto-ongeluk, niet door de oorlog, niet door een brand, maar in de armen van je vader.

Het jongetje schrok van gekuch achter de deur. Vader, flitste het door zijn hoofd. Snel dook hij weer in bed en hield zich slapende. Daar lag hij nu met zijn kleren aan in bed, in een vreemde kamer en bij een vreemde vader. Het volgende moment werd de deur geopend. Door het kiertje in zijn ogen zag hij hoe een oude man in de deuropening verscheen. Zo te zien een streng kijkende man. Hij had zijn jas nog aan en hijgde een beetje. Even was het akelig stil in de deftige slaapkamer. Het jongetje lag te bibberen onder de dekens. Toen zei de oude man:

‘Zo jongetje ben je daar eindelijk. Kom gauw overeind, ik zie je heus wel, verberg je maar niet.’ Het liefst was hij nu helemaal kopje onder de dekens gegaan. In plaats van dat gooide hij in één keer alle dekens van zich af. Hij was geschrokken van de strenge toon van zijn vader. Zijn vader keek hem een tijdlang indringend aan. Zo erg, dat het jongetje er van moest kleuren. De teleur­stel­ling was groot. Was deze oude, streng kijkende man zijn vader? Hij leek wel honderd jaar. ‘Kom hier m’n jongen,’ zei hij nu vriendelijker, ‘ik ben je vader.’ De man stak zijn beide handen naar hem uit. Het jongetje klom uit bed en liep op zijn vader toe. Gek, dat hij hem zich niet meer kon herinneren van vroeger. Toen hij voor hem stond legde zijn vader beide handen op zijn schouders en werd hij van top tot teen bekeken. En weer moest hij kleuren. Hij durfde zijn vader niet aan te kijken. Wel keek hij naar zijn grote gerim­pelde handen. Witte handen met rode en blauwe aderen, met aan verschil­lende vingers duur uitziende ringen. Waren dat de handen van zijn vader? De handen die hem tijdens zijn doodsangst in het bos zo liefdevol hadden vastgehouden?

 Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem Kind;

er hat den Knaben wohl in dem Arm, er fasst ihr sicher, er halt ihn warm…