Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

24 Lekker ding

Om kwart voor zes verschenen Pablo Picasso van nummer 801 en Frank Zappa van 101 in de deurope­ning van de Nadorst. Wigbert, de barkeeper en zijn klanten staakten hun gesprekken en keken nieuwsgierig hun kant uit. Juffrouw Monroe van 102 schikte haar haren Ze nam een bescheiden slokje van haar zesde borrel. Misschien wordt het toch nog gezellig, dacht zij. Haar schietgebedje was blijkbaar verhoord. Pablo was het café binnengekomen. En als deze binnenkwam dan gebeurde er meestal wat. En kijk eens wat hij had meegenomen? Wie stond daar aan zijn zijde? Niet verkeerd zeg! Ze had de man niet eerder gezien. In ieder geval ontving ze van Pablo alvast één van zijn veelzeggende blikken. Het gevolg was een knalrode kop.

‘Mag ik jullie mijn nieuwe vriend voorstellen?’ riep Pablo Picasso joviaal. Met een sierlijke zwaai mikte hij zijn alpino aan de kapstok. ‘Dame en heren, mister Frank Zappa!’ Frank stond er wat onwennig bij. Hij knikte het viertal aan de bar glimlachend toe en liep vervolgens op de uitgestoken hand van de barkeeper. Hij geneerde zich voor de overdreven aankondiging van Pablo. Moest dat nu zo luidruchtig.

‘Welkom, zei Wig.’ Hij drukte de nieuweling stevig de hand. Vervolgens gaf hij een ruk aan de koperen bel. ‘Rondje van de zaak,’ riep hij luid.

‘Applaus,’ riep Vincent van Gogh van nummer 704, die van de verschillende wijntjes blosjes op zijn wangen had gekregen. Met een grote smile lachte hij de nieuweling toe.

‘Hoe meer zielen hoe meer vreugd,’ mompelde Lautrec van 211. Hij zat aan zijn vierde glas absint. Wig had hem reeds geadviseerd om een kop thee te nemen. Maar de schilder had dit hardnekkig geweigerd. Hij vond dat hij zijn eigen boontjes wel kon doppen. Daar had hij geen purgatijn voor nodig. De componist Dmitri Sjostakovitsj van 701 ontging alles. Deze zat te dommelen boven zijn dode biertje. Soms raakte zijn spuuglok de rand van de bar. Zijn aktetasje met daarin de Welkomstsymfonie, zijn belangrijke opdracht voor de Dag des Heren, lag een beetje slordig, onder de as- en biervlekken naast zijn kruk.

‘Kom,’ zei Picasso. Hij nam zijn vriend bij de arm. ‘Laten we op het hoekje gaan zitten.’ Frank volgde Picasso naar de uiterste hoek van de lange bar. Picasso bestelde een warme chocolademelk, Zappa een biertje. ‘Waar hadden we het ook al weer over,’ vroeg Picasso aan zijn buurman. Maar zijn nieuwe vriend verstond hem niet of had op dat moment geen oor voor hem. Hij keek naar de vrouw aan de bar, de vrouw in het rode jasje. Was zij niet het meisje van Doeb doe bi doe, de vrouw van de opwaaiende rok? Christus me ziele, wat een lekker ding. Hij stootte zijn buurman aan en knikte naar de vrouw.

‘Wie is zij? ‘vroeg hij.

‘Jongen, je hebt geluk,’ fluisterde Picasso hem in het oor. ‘Ze woont naast je. Geniet er van. Ze is de zonde waard.’ Hij gaf Frank een vette knipoog. De kunstbroeders Van Gogh en Lautrec hervatten hun gesprek. Ze spraken over het opkomend fascisme in Sint-Petrusburg. Juffrouw Monroe zat er wat verloren bij. Ze had geen verstand van politiek. Bovendien voelde ze hem al behoorlijk zitten. Ze keek op haar horloge. Nog niet eens zes uur en nu al tipsy. Hoeveel had ze er al achter haar kiezen?

‘ W-w-ig,’ riep ze, ‘Wig! ‘

‘Momentje, ik kom zo bij u’ riep Wig, die bezig was een aantal losse muziekcassettes in doosjes op te bergen. ‘Zeg het eens schoon­heid,’ ant­woordde hij toen hij een moment later voor haar stond. Glunderend keek hij naar haar boezem. Juffrouw Monroe wenkte hem iets dichter­bij te komen.

‘W-wig,’ fluisterde ze. ‘Hoeveel b-borrels heb je me vanmiddag al ingeschonken?’ Glimlachend keek Wig juffrouw Monroe in haar ogen. Inderdaad, ze stonden al een beetje glazig. ‘Ik denk een stuk of vijf, maar ik zal even voor je kijken,’ antwoordde hij. Hij liep naar de kassa, waarnaast op een plankje de kaartjes van zijn klanten lagen. ‘Tuut, tuut, tuut,’ mompelde hij overdreven luid. ‘Tijd voor een kopje koffie, mevrouwtje’ fluisterde hij plagerig.

‘Nou h-hoeveel?’ vroeg ze ongeduldig.

‘Vijf,’ antwoordde Wig.

‘Maak maar verse k-koffie,’ zei ze. Ze liet zich vervolgens van haar kruk glijden. ‘Ik ga even naar het toilet.’ Oef, daar ging ze bijna onderuit.

‘Daar lag u bijna,’ zei Lautrec.

‘Man l-lul niet,’ mompelde ze. Waarna ze met een rood hoofd in de damestoiletten verdween. Op haar achterste voelde ze de blikken van de twee mannen die zojuist waren binnengekomen. Had ze het goed gezien? vroeg ze zich af, terwijl ze een koude straal water over haar polsen liet lopen. Had de donkere jongen, hoe heette hij ook al weer, Frank of zo, alsmaar haar kant uitge­ke­ken? Had hij oogcontact met haar gezocht? Waarom had ze hem nauwelijks aangekeken, waarom had ze niet even met hem gesjanst, een knipoogje gegeven? Hij leek haar een aardig type. Lelijk was hij ook niet, al had hij, als ze zich niet vergiste een behoorlijke grote neus. Maar verder was-ie wel gaaf. Hij had zwart haar en dat kwam goed uit, want ze hield van donkere mannen. Ook had-ie een snor en een baardje. Naar de rest moest ze gissen. Was hij purgatijn? Was hij hier voor vast komen wonen? Er stonden tenslotte een stuk of wat appartementen leeg. Ze hoopte het maar. Hoe oud zou hij zijn? Wat was de kleur van zijn ogen? Lachte hij leuk? Had hij mooie tanden? Kon-ie lekker zoenen?

Ze ademde in haar handen en rook er aan. Gelukkig geen borrellucht, alleen sigaretten. Soms walgde ze van zichzelf. Waarom om vijf uur al aan de borrel? Waarom eerst niet een chocomelk zoals ze Pablo vaak zag drinken, of koffie of thee zoals anderen van hogere etages wel bestelden. Ze maakte van haar handen een kommetje en liet dit vollopen met water. Gorgelend spoelde ze haar mond. Stel je voor dat ze aan de praat zou raken met de nieuweling. Ze wilde onder geen beding uit haar straatje ruiken. Hoeveel had Wig ook al weer gezegd? Vier, vijf, zes? Ze wist het niet meer. Ze was gewoon tipsy. Ze trok een vies gezicht en keek in de spiegel.

Juffrouw Monroe hunkerde de laatste tijd naar een jonge vent. Ze had wel eens met de gedachte gespeeld om overplaatsing aan te vragen naar één van de Kuku-flats in Holy City. Daar heerste tenminste een fatsoen­lijk uitgaansle­ven: Volop discothe­ken en een hele wijk met bars en nachtclubs, had Wig haar verteld. Of naar Sint-Petrusburg, nog beter. Hier in Johan­nesburg was het armoe troef. Het enige vertier hier in de buurt was de Nadorst. Nou, dat kende ze zo langzamerhand wel. Zelfs in het centrum, op en rond het Plein van de Hemelse Vrede, was niks te beleven. Hoelang was het alweer geleden dat ze voor het laatst met een jonkie had gevreeën? De oudere mannen gingen haar zo langza­merhand de keel uit hangen. Nou ja, op Pablo na dan, die viel nog wel mee. Ze was een paar keer met hem uit geweest En natuurlijk ook met hem in bed beland… de snoodaard.

Ze dacht terug aan een week of wat geleden. Ze hadden de hele avond in de Nadorst zitten pimpelen. Zij aan de jonge borrel, hij aan de whisky. Aan de bar had hij een schets van haar gemaakt en haar gevraagd om na slui­tingstijd met hem mee te gaan om de tekening bij hem thuis af te maken. Ze had toegestemd, al wist ze bij voorbaat waar hij op uit was. Maar als ze zich goed herinnerde was ze die avond zelf ook behoorlijk hitsig geweest. Eerst hadden ze in de huiskamer op de witte bank wat gedronken en een beetje geflikflooid. Daarna waren ze naar zijn atelier gegaan. Hij had haar op een kruk gezet. Geruime tijd had hij rondjes om haar heen gelopen. Plotseling had hij haar borsten omvat en gezegd dat die in ieder geval bloot moes­ten. Maar daar was het niet bij geble­ven, want ook de billen moesten bloot. ‘Ik vraag niet veel, ik wil gewoon alles,’ was zijn lijfspreuk geweest. En van het één kwam het ander. Ze waren op de sofa beland en hadden een stevig robbertje gevreeën. Van de tekening was verder niets gekomen.

Waarom was hij nu zo ver van haar af gaan zitten? Komt er eindelijk iemand die ze leuk vindt en dan gaat-ie een eind bij haar vandaan zitten! Ze nam de brillenkoker uit haar handtas­je. Ze hield niet van die bril. Brillen stonden haar niet. Ze zette de bril op en keek weer in de spiegel. Jezus, wat zag ze er uit! Met beide handen ploegde ze door haar haren. Weer keek ze in de spiegel, doch dit keer een beetje lonkend, een beetje uitdagend. Daarna haalde ze haar make-upspulletjes tevoorschijn, stalde ze uit op de wasbak en ging aan de slag.