Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

17 Engel Kees

Op de top van de heuvel, waarvan Frank later vernam dat het de Olijfberg betrof, landde één van de witte vogels. Frank bleef aan de grond genageld staan. Hij hijgde als een bezetene. Eigenlijk zou hij willen rusten na deze idiote renpartij, maar hij bleef staan, zoals gezegd als aan de grond genageld. ‘Christus me ziele,’ riep hij verschrikt. ‘Een engel!’ Midden op de hoofdweg stond hij daar. Hij dacht geen stap meer te kunnen verzetten. Toen de engel hem wenkte, liep hij naar hem toe. Hij beefde over zijn hele lichaam.

‘Wees niet bevreesd,’ zei de engel met fluwelen stem toen Frank voor hem stond. ‘Volg mij, ik ben uw gids.’ Vanonder zijn rechtervleugel kwam een hand met een witte handschoen te voorschijn die hij Frank toereikte. ‘U bent meneer Frank Vincent Zappa?’ vroeg de engel nu met normale stem. Frank knikte en greep met tegenzin de uitgestoken hand. ‘Kees,’ zei de engel.

‘Kees wat?’ vroeg Frank aarzelend.

‘Ik ben Kees,’ antwoordde de engel met een glimlach.

‘Kees?’ vroeg Frank verwonderd. Hij keek de engel ongelovig aan. ‘Maar een engel heet toch geen Kees?’ De engel sloeg broederlijk een arm om Frank en fluisterde dicht bij zijn oor:

‘Natuurlijk niet liefje, officieel heet ik Gabriël. Net als alle engelen in deze contreien.’ De engel keek om zich heen en kwam zo dicht bij Franks oor dat hij meende voor een moment het heilige gelaat te voelen. ‘We zijn gekopieerd, weet je,’ fluisterde de engel. ‘We zijn schaamteloze klonen van Gabriël, de enige echte Gabriël en ons opperhoofd. Maar in het geniep hebben we ons onderling een eigen naam aangemeten,’ vervolgde de Kees. ‘Zo voelen we ons wat minder kloon en houden we een stukje persoonlijkheid, snap je? Maar mondje dicht,’ voegde hij er snel aan toe. Frank knikte, maar hij begreep er geen pik van.

‘Waar gaan we naar toe?’ vroeg hij met onvaste stem.

‘Dat is de bekende vraag,’ lachte de engel. ‘Een vraag die een ieder stelt, maar zoals gezegd, wees niet bevreesd.’ Lichtjes duwde de engel Frank voorzichtig de richting uit naar het pad dat naar beneden leidde. ‘Kom, laten we gaan’, zei hij. ‘Er is nog een hoop te doen.’

Een moment later wandelden zij op hun gemak zwijgend naast elkaar over de top van de heuvel naar beneden. Wederom verwonderde het Frank dat hij na de dagenlange run geen vermoeidheid voelde. Voor hen lag een dal. Hij werd stil van het uitzicht. Zo’n mooi stuk natuur had hij zelden gezien. Hij hield zelfs even halt, zodat de engel hem moest aansporen om door te lopen. Voor hen uit liepen zingende troepjes soldaten. Frank ving flarden op van het lied When the saints go marchin’ in. Elk groepje soldaten werd aangevoerd door een engel. Ondanks zijn verwarde positie kon hij, kijkende naar de engelen een glimlach niet onderdrukken. Het is toch om je rot te lachen, dacht Frank: Kees, Piet, Klaas, Jan, Gerrit. En dat zijn dus engelen! Voor de groepjes soldaten liepen enkele loslopende personen zonder begeleiding van een engel. ‘Ik maak geen enkele kans,’ zei Frank. Hij voelde dat het menens ging worden. Het speet hem dat hij vroeger niet wat meer in de Bijbel had gebladerd. Zijn glimlach was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een bloedserieus gelaat.

‘Dat zeggen ze allemaal,’ antwoordde de engel. ‘Maar kop op jongen, wie weet hebben ze een verrassing voor je in petto.’

‘Ja maar ik…’

‘Uw moeder was toch katholiek?’ vroeg de engel. Hij haalde een notitieblokje van onder zijn vleugel vandaan. Hij leek naar Frank zijn gegevens te zoeken. Van opzij keek de engel Frank vragend aan. Frank knikte. Maar wat had hij daar aan? Voor een moment dacht hij aan zijn moeder. Hoelang had hij haar niet gezien? En zou hij haar hier dan weer ontmoeten? ‘Nou, dat is tenminste al wat,’ onderbrak de engel Frank zijn gedachten. ‘Laten we voorlopig over dit onderwerp zwijgen. Misschien valt het allemaal wel mee.’ Frank schrok. Wat bedoelde Kees met: misschien valt het allemaal nog mee? Jezus nog aan toe, ze zouden hem te grazen nemen. Hij wist het zeker!

Onder in het dal stond een immens gevaarte. Het deed Frank denken aan de Arc de Triomphe. Maar dan tig keer zo groot. ‘Het Voorportaal,’ zei Engel Kees alsof hij Franks gedachten kon lezen. Direct daarna werd Kees opgepiept. Als hij meneer Zappa bij het Voorportaal had afgeleverd, moest hij zich weer melden bij de groep. Het was vandaag uitzonderlijk druk. Ze namen de laatste glooiing. Het lange pad voor hen werd versmald door dranghekken, welke links en rechts van de weg stonden opgesteld. Hier en daar stonden groepjes belangstellenden. Om de pakweg vijfentwintig meter stonden kaarsrechte palen waarin bovenaan luidsprekers bevestigd waren, waaruit marsmuziek klonk, afgewisseld door onverstaanbare mededelingen.

‘Laten we een mobiel pakken,’ zei de engel. Hij trok Frank mee naar een parkeerterrein aan de kant van de weg waar tientallen gemotoriseerde open wagentjes stonden. Ze deden hem denken aan invalidenwagentjes. In de verte hoorde hij gejuich, al zou er een doelpunt gescoord zijn. Hij herkende dit geluid. Hoe vaak had hij niet in arena’s, concertzalen en overdekte hallen opgetreden en was hij verwelkomd door mensenmassa’s. Het gejuich deed hem goed. Doch de luidsprekers met de marsmuziek en mededelingen maakte hem bang. ‘Ga zitten,’ zei engel Kees. Een kind kan de was doen. Rechts gas, links remmen. Frank voelde zich behoorlijk opgelaten toen hij even later in zijn scootmobiel langs de alsmaar drukker wordende menigte reed. Hij voelde zich als een paus op tournee Voorzichtig hief hij zijn hand op naar een paar enthousiastelingen. Wonderbaarlijk genoeg riepen ze zijn naam. Toen ze de eerste tribunes naderden steeg er gejuich op.

‘Frankie, Frankie,’ klonk het steeds luider. Sommigen hielden een papiertje met pen in de lucht. Ja, kom hij was gek, hij had wel wat anders te doen dan handtekeningen uitdelen. Hij zou zo direct voorgeleid worden.

‘Doorrijden,’ sprak engel Kees streng toen hij merkte dat Frank langzamer begon te rijden en terug begon te zwaaien. Het werd drukker. Men bleef zijn naam scanderen. Ook vernam hij Amerikaanse vlaggetjes. De groepjes soldaten en loslopende personen voor hen schenen nauwelijks aandacht te krijgen. Dikwijls werd er achterom gekeken. De weg verbreedde zich. Ze reden nu langs volle tribunes bevolkt met zingende, zwaaiende en roepende mensen. ‘Frankie! Frankie! Frankie!’ Er werden volkse melodieën gezongen als Olee, Olee, Olee en We are the champions. Engel Kees keek trots naar zijn metgezel. Hij had er duidelijk schik in. Dit was wel even iets anders dan een gewone burger uit de Jachtvelden op te pikken.

‘Dit is meen ik allemaal voor u bedoelt,’ riep hij met een big smile naar Frank. Geniet er maar van. Je weet maar nooit… En zonder dat hij er erg in had stak hij zijn hand in de lucht en zwaaide met Frank mee naar de zielen aan de kant.

‘Wie zijn dat, waar komen die lui allemaal vandaan?’ riep Frank terug. Ze reden nu heel dicht bij elkaar. Gewoon praten was vrijwel onmogelijk geworden.

‘Die zijn een dagje uit,’ schreeuwde de engel. ´Iedereen uit het Koninkrijk bezoekt jaarlijks wel een keer een Aankomst. Maar vandaag is het erg druk. Ze wisten van uw komst. Daar kun je donder op zeggen. U was beneden een beroemdheid!´

‘Maar hoe weten zij dat…’

‘Hier zijn geen geheimen,’ onderbrak de engel hem. Zij bestegen de laatste helling. Links en rechts tribunes met uitzinnig zingende zielen. Boven aan de heuvel verrezen ge­bouwen. Gebouwen met koepels. Gebouwen met gouden daken die blonken in de zon. Gebouwen zoals hij nimmer had gezien. En hij had tijdens zijn concertreizen toch heel wat steden bezocht. Op aanwijzingen van geüniformeerden werden de scootmobiels achter rood-witte slagbomen geplaatst en werd het laatste stuk te voet afgelegd.

‘Meneer Zappa, meneer Zappa, dit is Evangelische Omroep, mogen wij u een paar vragen stellen?’ Er werd een microfoon onder zijn neus geduwd. Langs de kant stonden grote grijze auto’s met schotelantennes op het dak. Eigenlijk waren het kleine vrachtauto’s. Radio Maria, las Frank op een van de radio-auto’s, en op een andere stond met schreeuwende letters Evangelische Omroep. Frank duwde de man opzij. Hij had wel wat anders aan zijn hoofd dan een interview. ‘Het is maar voor even,’ riep de reporter nog.

‘Is dit het echte hiernamaals?’ vroeg hij met trillende stem aan engel Kees. Maar er was geen engel Kees meer. In plaats van een antwoord te krijgen werd hij ruw bij de arm genomen. Hij zocht naar zijn beschermengel. Maar deze was in de drukte verdwenen. Hulpeloos keek hij om zich heen.

‘Kees, Kees,’ schreeuwde hij met overslaande stem. Hij rukte zich los en zette het op een lopen.