Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

43 Huisnummer 606

Aan het einde van de galerij van de zesde verdieping op nummer 606 woonde Frau von Bingen. De Non – want zo werd ze doorgaans door het artipubliek genoemd – was de eerste bewoner van de flat. Toen jaren geleden de kunstenaarsflat in de steigers had gestaan was haar een penthouse aangeboden, maar daar had ze geen oren naar gehad. Het was haar te hoog en ook veel te groot. Uiteindelijk had ze haar intrek in 606 genomen, waar ze sindsdien teruggetrokken leefde en nauwelijks deelnam aan het sociale gebeuren. Sterker nog, de luiken voor haar ramen waren meestal gesloten.

Frau von Bingen was 81 jaar. Zij was het hiernamaals binnengekomen in het jaar 1098 na de geboorte van onze Heiland. Vaak dacht ze terug aan tijden van weleer toen ze met haar vrienden in een kunstenaarskolonie woonde in het hartje van Johannesburg, toen nog een kleine nederzetting. Kleine huisjes met voor en achtertuin en vuurrode daken. Eigenlijk waren het hofjes, hofjes waar rust en schoonheid heerste. In het hart van de kolonie, omgeven door gazons en bloemtapijten, stonden een werkplaats, concertzaal en een atelier. Het geheel had iets weg van een commune. Er werd veel georganiseerd, met name concerten, exposities en Bijbelstudies. En dan waren er nog de wandeltochten en excursies. Frau von Bingen had erg heimwee naar die tijd en dacht terug aan haar vrienden die weggetrokken waren, weg uit Johannesburg. De lieflijke huisjes van de kolonie waren met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor blokkendozen. Voor de kunstenaars zou nieuwe huisvesting komen in de vorm van een reuze flat aan de rand van de stad. En zo geschiedde het. Er verrees een artiestenflat, de artiflat. Zoals gezegd hadden de meeste kunstenaars na de sloop van hun onderkomens hun biezen gepakt en de stad de rug toegekeerd om hun heil te zoeken elders in de zevende hemel.

Frau von Bingen was niet direct het type dat met vijf grijze heren een dagje pretpark zou doen. Op de dag van het uitstapje bleef haar voordeur dan ook gesloten. Frau von Bingen had niets met uitstapjes. Het dagje zou volgens haar wel uitdraaien op een bezoek aan een attractiepark of kermis. De juffer van de wasserette die het uitje zou leiden was bij haar op huisbezoek geweest om haar over te halen mee te gaan. Ze herinnerde zich haar kleding, een dun gebloemd kleedje met daaronder blote benen. Het was haar soort niet. Ook haar babbel beviel haar niet. Het zou haar niets verwonderen als het om een purgatijnse ging. Ze had ervaring met dit soort volk. Kort na haar intrede in het hiernamaals had ze als godsdienstlerares in kerktenten in het purgatorium gewerkt. Nee, voor Frau von Bingen geen werelds gedoe. Ze moest er niet aan denken een hele dag rond te sjokken met dat zedeloze vrouwke en vijf grijze heren.

Zij had de dag van het uitstapje haar zinnen op iets anders gezet en had afgesproken met mevrouw Jackson van 205, de vrouw die zich als zangeres soms liet horen tijdens speciale diensten in de Sint-Jan Kathedraal. Ze hadden die dag vrij toegang tot de kerk. Mevrouw Jackson had een pasje. Behalve dat ze soms optrad als zangeres van moderne kerkliederen werkte ze er als vrijwilligster. Haar taak was een oogje in het zeil houden. Dit had alles te maken met het geboefte van tegenwoordig. Vooral de laatste tijd werd er regelmatig iets uit de kerk ontvreemd. Ze mocht het niet hardop zeggen maar het merendeel van de purgatijnen had ze niet hoog zitten. Een normale burgerziel zou het niet in zijn hoofd halen om relikwieën uit de kerk te ontvreemden. Het was natuurlijk van de gekke dat je de kerk niet normaal kon bezoeken, had ze Jackson horen zeggen. Op doordeweekse dagen waren de deuren soms gesloten. Er waren zelfs dagdelen dat je een kaartje moest kopen. Ze moest hier niet te lang over nadenken, anders zou ze er krank van worden. Om ook in het bezit te komen van een kerkpasje had ze zich net als mevrouw Jackson opgegeven als vrijwilligster. Ze wilde hoe dan ook regelmatig de kathedraal bezoeken.

Het moge duidelijk zijn. Frau von Bingen was een zeer godslievend persoon. Wanneer maar mogelijk liep zij de lange Boulevard Antonius af om een gebedje te doen of een dienst bij te wonen in de Sint-Jan Kathedraal. Maar onderweg op de hoek van de Kapellerlaan richting Kleine Ring en de sportwijk, had je ook nog de Antonius Kapel, al had ze vernomen dat het pittoreske Kapelletje er ook aan moest geloven en een andere bestemming zou krijgen. Vaak liep zij op met mevrouw Jackson, een zwaarlijvige vrouw waar ze zo af en toe mee omging. Zij waren de enige dames van de arti die nog aan godsdienstoefeningen deelnamen. In hun voetsporen wandelden soms de heren J.S. van 901 en Bruckner van 601 richting Sint-Jan. Maar dan had je het ook wel gehad. Het was de laatste jaren droevig gesteld met het kerkgebeuren in Johannesburg. Het gros van de kunstenaars zat liever in de kroeg. Wat dat aan ging was het een rare tijd.

Wat had ze soms heimwee naar de Gregoriaanse gezangen waarmee ze groot was gebracht en dat nog volop gezongen werd bij haar intrede in het hiernamaals. Als er nu in de kathedraal gemusiceerd werd waren het meestal wilde toccata’s van de heer J.S of nog erger het trompetspel van de donkergekleurde meneer Armstrong van 401.