Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

44 Freddie Queen

Freddie Queen, de jongen van nummer 108 had het misselijke gevoel dat hij in de verkeerde hemel terecht was gekomen. Hij was immers niet met de leer van de Bijbel opgevoed, maar met de Avesta, de heilige geschriften van de goede god Zarathoestra. Hij had geen idee wat hij hier in het hiernamaals te zoeken had. Had meneer Zarathoestra zelf geen hemel? Freddie meende zich toch te herinneren dat in de leer van Zarathoestra toch ook iets van het Beloofde land was beloofd. Ook leken ze hem gepest te hebben om hem zo’n klein woninkje toe te wijzen. Een hokje waarin hij nauwelijks zijn kont kon keren.

Freddie was een nieuweling op de arti, net als Miles Davis, de jazztrompettist die zijn huisje had op nummer 403. Beiden hadden in het jaar 1991 na de geboorte van de Heiland het aardrijk verlaten en beiden leken verre van gelukkig op de arti. Zij kenden elkaar van de grammofoonplaat en de compact disc. Een voordeel voor Miles was dat hij met een groter aantal vierkante meters ruimer behuisd was.

Veel was Freddie Queen niet thuis. Het benauwde hem op de flat. Een uitzondering was café de Nadorst, daar had hij het wel naar zijn zin. Met Wigbert, de barman kon hij het aardig vinden. Wat heette aardig, hij was soms helemaal gek van hem, gek van de kale barkeeper met zijn oorringetje, gulle lach en schuine moppen. Een regelrechte homo. Een kerel naar zijn hart. Echt een geile beer. Vreemd vond hij het wel dat de barman ook met meiden flirtte. Want zat hij laatst niet in het bijzijn van Freddie brutaal naar de tieten van Marie Monroe te kijken terwijl hij met hem zat te flirten? Gekke vent, die Wig! Toch had Wigbert binnen de kortste keren zijn hart veroverd. Stapel gek was Freddie inmiddels op de barkeeper van de Nadorst. Ook stond hij op goede voet met zijn buurvrouw van 107, mevrouw Dietrich. Vanwege hun vaak opvallende outfit werd hij wel spottend haar broertje genoemd. Een vrouw uit duizenden, vond Freddie. Een vrouw met wie hij ook wel optrok en bij wie hij zelfs over de vloer kwam. Een vrouw die hem begreep. Een vrouw met wie hij gemakkelijk kon praten. Een vrouw die op dezelfde golflengte zat, om het zo maar te noemen.

Maar dat was het dan ook wel zo’n beetje. Verder verveelde hij zich rot. Hij kende zo langzamerhand de kunstenaarskliek op de arti wel. Hij nam daarom bijna dagelijks de benen naar het centrum van Johannesburg op zoek naar vriendjes. En als hij vroeg was opgestaan nam hij de slang naar Voorstad Sint-Jacoba. In deze stad stikte het van de jonge mooie mensen. Maar ook was hij te vinden in de homobuurten van hoofdstad Sint-Petrusburg. Het reizen deed Freddie goed. De hele dag op dezelfde plaats bivakkeren was niks voor hem. Hij hield er van te observeren. In zijn hart hoopte hij vurig op contacten. De kunst was om zielen die hem op het eerste gezicht aantrokken in zijn geheugen op te slaan. Deze foto’s, zoals hij de beelden noemde, probeerde hij dan ’s avonds in zijn hemelbed te bekijken om er vervolgens op los te fantaseren. Seks was zijn hobby.

Vooral de laatste tijd bezocht hij vrijwel dagelijks de buitenwijken van Johannesburg. Daar kon hij urenlang rondslenteren. Heerlijk! En daarbij kwam dat het in de zevende altijd mooi weer was. Dus dwaalde hij in het zonnetje langs bouwterreinen waar nieuwe woningen en flats uit de grond verrezen. In de buurt van bouwputten, hijskranen en bouwketen stond hij met zijn grote bruine ogen het werkvolk gade te slaan. Stoere, gespierde, gehelmde bouwvakkers, daar was hij naar op zoek, daar hield hij van, die moest hij hebben. Weliswaar waren deze lieden allen tewerkgestelde purgatijnen, maar dat deerde hem geen fuk. Integendeel, het wond hem juist op. Doch meestal keerde hij alleen en met een leeg gevoel terug naar het articomplex aan de rand van Johannesburg.

Op het aardse had Freddie Queen bekend gestaan als seksmaniak. Maar daar was alles vanzelf gegaan. Daar hoefde hij zich niet lam te zoeken naar bedgenoten. Die waren gewoon op zijn pad gekomen. Jarenlang had hij homocafés en travestietententen bezocht en zijn bed gedeeld met tientallen jongens en mannen. In zijn sjieke appartement was het vaak een jolige boel geweest. De party’s die hij had gegeven waren meestal op regelrechte orgieën uitgelopen. Hij had gesmeten met geld. Hij had getrakteerd op de duurste champagne en de zuiverste cocaïne. En wilde men een seksje plegen dan was dit evenmin een probleem. In zijn vier met marmer opgetrokken badkamers en toiletten waren gewillige meisjes en jongens ingehuurd om zijn gasten te plezieren. Een snelle wip, een snuifje of een spuitje, je had het voor het uitkiezen.

Tijdens optredens met zijn muziekgroep Queen was hij vaak uitgedost in de meest merkwaardige kleding. Liep hij het ene moment in een strak leren broek, het andere moment was hij gehuld in bont en fluweel. En een volgende keer vertoonde hij zich met zwart gelakte nagels, balletschoentjes en nauwsluitend maillot. Niets was hem te gek, hij schreeuwde om aandacht. Een regelrechte flikker noemde men de zanger van Bohemian rhapsody, het meest beroemde lied op de aardkloot. Zwaaiende met een microfoonstandaard rende hij op het toneel van de ene hoek naar de andere. Zijn sopraanstem galmde door concertzalen en stadions.

Zoals Elvis Presley van nummer 501 The King werd genoemd en Johann Junior van nummer 201 de koning van de lichte muziek, was Freddie van nummer 108 de absolute Queen van de popmuziek geweest. Maar hier in de zevende hemel was hij als een pudding in elkaar gezakt. Er was weinig overgebleven van de eens zo vitale Freddie.