Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

25 Gekke Chet

Vluchtig keek ze om zich heen en razendsnel haalde ze haar truitje omhoog. ‘Dag heerlijke tieten van me’ , fluisterde ze naar haar spiegelbeeld. Morgen gaan jullie er aan. Ze omvatte haar borsten en vervolgde met haar bekende kindstemmetje: ‘Weet je het wel zeker, Marie? Zou je dit nu echt wel doen? De kerels zijn niet voor niets helemaal gek van je! Ja, ja, ik weet het, zei ze met een pruillipje.’ Ze had er zo langzamerhand genoeg van, dat geloer naar haar borsten. Zuchtend trok ze een beetje traag haar truitje weer omlaag. Baldadig stak ze haar tong uit. Met haar tong nog half uit de mond bleef ze voor een moment onbeweeglijk staan. Wat hoorde ze toch steeds in de verte. Ze spitste haar oren.

Achter de muurtjes van de toiletten klonken al geruime tijd onophoudelijke nootjes van een piano. Niet gewoon pianospel, maar probeerseltjes: Ping ping pong. Was er misschien een pianostemmer bezig? Voor een moment vergat ze de aantrekkelijke nieuweling aan de bar die misschien op haar te wachten zat. Ja, ze wist het zeker. Ze had daar gewoon feeling voor. En ook dacht ze even niet aan haar grote borsten en aan het Sint-Lukas waar ze morgen naar toe zou gaan. Ze keek naar haar strak zittende truitje en trok wederom een pruillip. Nu al spijt? Daar had je het weer, steeds dezelfde tonen. Wie doet nou zo iets? Een poetsvrouw die de piano schoonmaakt? Ping ping pong. Ze pakte haar spulletjes en sloop het gangetje in, de muzieknootjes tegemoet. Het pianokamertje dus, natuurlijk waar anders. Ze bukte zich om door het sleutelgat te kijken. Daarna knielde ze neer en met een oor aan de deur luisterde ze naar de merkwaardige geluiden.

Het pianokamertje was zo’n beetje het kleinste kamertje van de artiflat. Het was bedoeld om lage bewoners de kans te geven hun pianospel op peil te houden, een lied te componeren of gewoon wat te pielen. Voor een zilverling per uur kon je de sleutel halen bij huismeester Gerrit Smit. Een piano, een krukje, een lessenaar en een schoolbord met notenbalken, dat was het interieur. Uit het kamertje kwamen op dit moment ongeschoolde klanken. Als een klein meisje zat Marie Monroe op haar hurken door het sleutelgat te kijken. Zij keek tegen de rug van een manspersoon. Als ze zich niet vergiste was het gekke Chet, haar buurman van nummer 103. Met slechts één vinger beroerde hij het toetsenbord, terwijl de muzikant, niet wetende dat hij begluurd werd, commentaar op zijn ingevingen gaf:

‘Ping… no… Pong… Yes, Thats right!… Ping… Shit!… no!… Pong… Very nice…’

Het tafereeltje was alleraardigst. Zelfs om je dood te lachen. De amateurpianist en -zanger, nog steeds in trance, begon nu plotseling met een merkwaardig hoog stemgeluid te zingen. Hij draaide zich om en met gespreide armen liep hij al zingend met een hoge falsetstem op de deur toe, zodat Marie razendsnel opstond en aanstalten maakte om zich uit de voeten te maken. Daarna werd het stil en even later herhaalde zich het eentonig gepingel:

‘Ping… yes… Pong… No, Shit!… Ping… yes! Very nice…’

Voorzichtig sloop Marie weer naar de deur en ging weer op haar hurken zitten om het vervolg gade te slaan. Ze mocht hem wel, gekke Chet Baker de trompetblazer. Doodzielig vond ze het dat hij bij gebrek aan een echte trompet op een bloemengieter moest blazen. Vrijwel niemand op de flat had contact met gekke Chet. Het gebeurde wel dat hij urenlang in de raampost of op de drempel van zijn voordeur van zijn appartementje 103 wezenloos voor zich uit zat te staren zonder dat het leek dat hij ook maar één keer met zijn ogen knipperde. Als je hem toevallig tegenkwam –in de Nadorst kwam hij nooit- ontweek hij je blik of keek je schuw aan. De enige waar je hem zo af en toe mee zag praten was Miles Davis van nummer 403..

Ook met Marie, nota bene zijn naaste buur had hij in al die tijd dat hij hier woonde nauwelijks een woordje gewisseld. Behalve dat van de toeter wist ze dat hij op zijn achterbalkonnetje polletjes gras en ander soort groen in potjes kweekte. Zij had wel eens gezien hoe hij zijn plantjes liefdevol besproeide met dezelfde gieter waar hij muziek op placht te maken. Een vertederend schouwspel. Marie herinnerde zich nu plotseling dat hij toen soortgelijk gezang had laten horen zoals nu in het pianokamertje. Mevrouw Dietrich van nummer 107 had wel eens het idee geopperd om een benefietconcert te organiseren om hem zo aan een echte trompet te helpen. Want toeteren op een bloemengieter was toch de grootste armoe en hoorde zeker niet in het hiernamaals thuis.

Gedroeg Chet Baker zich in het hiernamaals merkwaardig, op het aardse was het niet anders geweest. Als veelbelovend jazztrompettist had hij over de aardbol gezworven. Hij had geleefd in hotels, maar ook op politiebureaus en zelfs in het gevang. Herhaaldelijk was hij gearresteerd vanwege het in het bezit hebben van drugs. Het gevolg van zijn overmatig gebruik was dat hij vaak zijn concerten niet fatsoenlijk kon afwerken. Het was zelfs wel eens gebeurd dat hij op het podium in slaap was gevallen. Optredens werden vergeten of hij kwam uren te laat. Gek genoeg pikten zijn fans dit van hem. Zij hielden van zijn trompetspel en soms zong hij met een hese, fluisterende stem. Een ieder kende zijn lied My Funny Valentine. Chet had goudgeld verdiend maar alles uitgegeven aan heroïne en cocaïne. Zijn vrouw en kinderen had hij verwaarloosd. Herhaaldelijk was hij in elkaar geslagen vanwege het niet nakomen van zijn verplichtingen of het niet betalen van drugsgeld. Hij verloor zijn tanden en moest met een kunstgebit opnieuw leren trompet spelen. Men noemde hem op het laatst De luxe zwerver. Zijn thuishaven werd tenslotte het Hollandse Amsterdam. Daar zou hij de eeuwige drugstoerist worden en daar zou hij ook het aardse verlaten door vierhoog zijn hotelkamer uit te vliegen in de veronderstelling dat hij een vogel geweest zou zijn.