Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

73 Gerrit de loodgieter

Zijn vrouw lag te sterven in het tussenkamertje. Al een tijd stond hij door het raam in de woonkeuken naar haar te kijken. Ze had haar ogen gesloten en haar handen lagen ineen gevouwen op de dekens. Zo lag ze daar al dagen, weken, maanden. In het begin glimlachte ze nog wel eens naar hem, maar nu, als ze haar ogen open had, staarde ze hem aan als een vreemde. Gek werd hij er van om zijn lieve vrouw zo te zien creperen. Karin en Ellen, de tweeling van amper drie speelden aan haar voeteneind doktertje met hun poppen.

‘Ssssst,’ zei hij steeds met zijn vinger tegen de mond. Maar de tweeling, hoe klein zij ook waren, wisten wel dat zij geen lawaai mochten maken als mama sliep. Soms, onder hun spel keken ze hem met hun grote ogen lachend aan en staken hun handjes naar hem op. Ha papa, zie je hoe mooi wij op mama’s bedje spelen? We zullen heel lief zijn en mama rustig laten slapen. Met een brok in de keel zwaaide hij terug en stak zijn duim omhoog ten teken dat het goed was.

Gerrit Smit had een goedlopend loodgietersbedrijf in de Hoofdstraat van het dorp. Sinds kort had hij aan de zijkant van zijn huis ook een benzinepomp. Die pomp was een idee van Helen zijn vrouw geweest. Zij had het geld verdienen in haar bloed gehad. Ze wilde zo op een gemakkelijke manier nog een extra centje bijverdienen. Kort na de feestelijke opening werd er kanker bij haar ontdekt. Gerrit Smit herinnerde zich nog de dagen van wanhoop. Hij sloot voor onbepaalde tijd zijn zaak, besteedde de tweeling uit aan Maaike, een alleenstaande vrouw die hij via via had gevonden en ervaring had met kleine kinderen. Wekenlang reed hij met zijn vrouw langs beroemde specialisten, hopende op een andere diagnose. Jazeker, kanker, hoorde hij artsen in verschillende talen concluderen, maar hier kunnen we helaas niets meer aan doen.

Bij thuiskomst werd het tussenkamertje als ziekenkamer ingericht en later gedegradeerd tot sterfkamer. Eens per week, op maandagmorgen, kwam de huisarts langs voor een bemoedigend woordje.

‘Houd goede moed, lieve Helen,’ zei hij als hij het ziekenkamertje verliet en tegen Gerrit: ‘Het is te hopen dat het snel voorbij is, beste jongen.’ De loodgieter huurde Maaike in als vaste oppas voor de tweeling. Zij kreeg het kamertje waar Helen eens haar knutselhok had. Een kamertje met mandjes naaigerei, schoenendozen vol met zelfontworpen kerstkaarten en aan de wand trouwfoto´s, vakantiefoto´s, foto´s van de feestelijkheden rond de opening van de benzinepomp en foto´s van de tweeling. Als enige troost voor het gemis van een normale mama werd er een klein hondje uit het dierenasiel gehaald, dat door de tweeling als Lodewijk werd gedoopt. Vanaf die tijd werd het ziekenkamertje meer en meer verruild voor de tuin achter het huis, waar de tweeling naar hartenlust kon spelen met hun nieuwe vriendje.

‘s Avonds als het lampje in het ziekenkamertje uit was, zat Gerrit Smit urenlang aan de tafel in de woonkeuken in het niets te staren. Maaike, die meer en meer een rol kreeg in het huishouden, zorgde er voor dat het aan Gerrit niets ontbrak. En als het heel laat werd dronken zij samen een borreltje.

In het dorp van de loodgieter werd Maaike al spoedig een opvallende verschijning. Met haar bos zwarte krullen, haar gouden oorringen, haar koolzwarte ogen, grote neus en sensuele mond had ze alles weg van een zigeunerin. Weldra kende een ieder de vrouw uit de grote stad en het duurde niet lang of daar gingen de eerste roddels door het dorp. Gerrit Smit had het goed getroffen zo’n vrouw in huis te hebben, fluisterde het manvolk. Als ze maar goed is voor de tweeling, was het oordeel van het vrouwvolk. Niemand leek de loodgieter de mooie kinderjuffrouw te misgunnen. De arme Gerrit Smit had het al zwaar genoeg met een stervende vrouw en het grootbrengen van twee kleine meisjes.

Maaike kwam uit de stad. Vijf jaar voordat zij bij Gerrit Smit en zijn gezin kwam te wonen had zij haar man, die aan parkinson had geleden naar het kerkhof gebracht. Na zijn overlijden zette Maaike haar zinnen op een nieuwe relatie. Ze reageerde op contactadvertenties en liet zich inschrijven op een datingsite. Zij wilde na haar treurige jaren met haar zieke man weer een normaal leven. Ze wilde een levensgezel. Maar de contacten liepen allen uit op partners die op één ding uit waren, haar lichaam. In het begin had ze daar volstrekt geen moeite mee en er zelfs van genoten. Ze had immers jarenlang intimiteit gemist. Maar uiteindelijk gaf het rollebollen met jan en alleman haar geen voldoening en ging ze op zoek naar een serieuze partner, een man voor het leven, een man voor wie ze zou kunnen zorgen. En die leek ze gevonden te hebben in Gerrit Smit, de loodgieter.

Natuurlijk bemerkte Gerrit Smit de belangstelling die Maaike voor hem koesterde. En hij schonk maar al te graag een tweede borreltje in als zij samen aan het eind van de dag aan de keukentafel zaten. Er kwamen stukjes kaas en worst op tafel en na maanden van stilte klonk er een gezellig muziekje uit de radio. Onder de tafel lag Lodewijk, het witte keffertje, te luisteren naar de gesprekken van de twee. Ze spraken over de toekomst, over Karin en Ellen, over Helen, de vrouw des huizes die het nu niet meer lang zou maken en over de heropening van de benzinepomp, ja zelfs over een eventuele vakantie. Het leek zowaar zo af en toe gezellig te worden in de loodgieterswoning aan de Hoofdstraat. En het zou niet lang meer duren voordat Gerrit Smit zijn kindermeisje en hulp in de huishouding naar haar slaapkamertje zou begeleiden.

Met een slakkengangetje rijdt er op een bloedhete zomermiddag een ambulance door de Hoofdstraat. De weinige mensen die zich op dat moment in de hitte op straat bevinden begrijpen het, ze komen Helen halen, Helen Smit, de vrouw van de loodgieter. Twee broeders in het wit schuiven even later een reeds uitgemergelde Helen op een brancard de ziekenauto in. Karin en Ellen spelen op dat moment op het grasveld achter het huis met Lodewijk. Als even later de ziekenauto weer vaart maakt om het dorp te verlaten maken enkele buurtjes uit eerbied een buiging.

Gerrit Smit is de eerste dagen na Helens opname volledig de kluts kwijt. Hij had het aan zien komen, maar nu het zover is kan hij het nauwelijks bevatten. Zelfs Maaike kan hem niet troosten. De eerste dagen zouden zij elkaar dan ook ontzien. Maaike zou zich voornamelijk bezighouden met de tweeling, die overigens de afwezigheid van hun moeder nauwelijks bemerken.

Dagelijks brengt Gerrit een bezoek aan zijn vrouw in het ziekenhuis. Helen reageert niet op zijn aanwezigheid. Ze heeft meestal haar ogen gesloten en zijn ze voor een moment toch geopend, staart ze naar het plafond of in de leegte. Haar borst ademt onregelmatig op en neer. Ze ligt daar net als thuis in het tussenkamertje, de handen ineen gevouwen op de dekens. Geluiden maakt zij niet. Als een pop zit Gerrit naast haar bed in het dodenkamertje. Hij weet niet wat te doen. Een enkele keer zoekt hij haar hand, doch zijn vrouw reageert niet.

Veertien dagen gaan voorbij als ze ’s avonds laat weer voor het eerst bij elkaar aan de keukentafel zitten, Gerrit en Maaike. Voorzichtig wordt er aan het borreltje genipt en komen de gesprekken op gang. De draad van een aantal weken geleden wordt weer opgepakt. Diezelfde nacht liggen Gerrit en Maaike in het grote bed, het bed dat ooit aan het echtpaar Smit had toebehoord. Het is na middernacht als ze liggen na te genieten van een hevige vrijpartij. Dan wordt er plotseling hevig op de ramen gebonkt. Helen! is de eerste gedachte die bij Gerrit opkomt. Aan de zijkant van het huis staat een man met een jerrycan.

‘Meneer, alstublieft, ik heb benzine nodig,’ zegt hij met een buitenlands accent. Blij dat het niet om Helen gaat, helpt Gerrit Smit de man aan benzine. Bij het afrekenen blijkt dat de man alleen groot geld bij zich heeft. Als Gerrit even later met zijn metalen geldkistje terugkeert wordt hij van achter vastgegrepen. De man met de jerrycan steekt hem in de buik en Gerrit zakt ineen. Lodewijk, die zijn baasje te hulp wil schieten en als een razende te keer gaat, bijt zich vast in de broekspijp van de man met de jerrycan en wordt door zijn kopje geschoten. Twee dagen lang lag Gerrit Smit de loodgieter in het tussenkamertje opgebaard. Naast hem lag Lodewijk.