Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

50 Goede voornemens van Vincent

Half negen. Met een half oor luisterde Vincent van Gogh naar de giechelende gesprekken naast hem. Aan het andere oor had hij jeuk. Het oor irriteerde hem. Het leek alsof hij er de laatste tijd meer last van had. Zusje had hem al eens voorgesteld om er iets aan te laten doen. Er reed per slot niet voor niets iedere maand een busje naar het Sint-Lukas. Hij kon dan eindelijk ook eens iets aan die bek vol bruine tanden laten doen, al zag hij daar godsgruwelijk tegenop. Op het mededelingenbord in de hal stond dat het busje morgenvroeg de artiflat zou aandoen.

Toen Vincent van Gogh in het jaar 1890 na de geboorte van onze Heiland het hiernamaals was binnen geloodst had hij net als iedere nieuweling een bezoek gebracht aan het Sint-Lukashospitaal. Daar hadden ze zijn longen schoongeveegd. Hij hoorde een broeder nog lachend aan hem vragen: zullen we u ook een oor aannaaien. Maar Vincent had zijn halve oortje best sexy gevonden. Dus hij had hiervoor bedankt. Aan zijn lijf geen polonaise. Maar de laatste tijd begon zijn oortje hem toch flink te irriteren.

De blonde stoot naast hem, juffrouw Monroe, aan wie hij zich vanmiddag verlekkerd had, was al ver heen. Hij had ze niet geteld maar ze had toch zeker een flink aantal borreltjes op. Zeker al een uur zat ze te flikflooien met de nieuweling met de snor die vanmiddag de Nadorst was binnen komen wandelen. Hij vond het wel leuk zo’n verliefd stel bij hem in de buurt. Zelf was hij ook verliefd. Verliefd op Zusje, zoals hij haar gewoonlijk noemde, het zangeresje en enthousiast lid van het koortje de Dames van de Derde. Eigenlijk heette zij Laverne.

Vincent liet zich van de kruk glijden en liep naar het toilet. Hij moest zijn hoofd een beetje helder zien te krijgen na al die glazen wijn. Hij had er goddomme wel vijf op, of waren het er nog meer? Hij had het niet bijgehouden. Zusje hield er niet van dat hij zoveel dronk. Drank geeft alleen maar ellende had zij hem dikwijls gezegd. En zij kon het weten, want zij kwam uit een milieu waar kwistig met alcohol was omgegaan. In de spiegel keek hij naar zijn rooie kop. Met beide handen gooide hij water in het gezicht. Hij vroeg zich af waarom hij hier de hele middag had zitten drinken en onbenullig zitten ouwehoeren. Waarom was hij niet het veld ingegaan om een nieuw werk op te zetten. Waarom was hij niet met Zusje naar de Bloemenstad gegaan? Waarom gunde hij zijn vriendin niet een pleziertje. Hoe vaak had ze hem de laatste tijd niet gevraagd om weer eens de slang te nemen naar Voorstad Sint-Jacoba? Hoe gelukkig had ze niet gekeken toen ze laatst het Wordpark hadden bezocht. Hij herinnerde zich haar lachende gelaat tijdens een rondje in de zweef en het intieme moment in de rups waar hij haar even flink tegen zich had aangedrukt. Hoe gulzig had ze niet in de suikerspin gehapt! Maar Vincent van Gogh moest zo nodig de godganse middag zitten pimpelen in de Nadorst. Bah, hij walgde van zichzelf.

Hij ontblootte zijn tanden en vond eigenlijk dat Zusje wel gelijk had. Een zootje ongeregeld. En had ze ook niet een keer gezegd dat hij uit zijn straatje riekte? Nee, hij moest hier echt iets aan laten doen. Hij was verliefd. Hij wilde haar voor geen goud kwijt. Hij krabde aan zijn halve oor en bedacht zich plotseling dat hij Zusje zou verrassen door morgen in het busje te stappen.

Hij moest er trouwens ook goed uitzien op de Dag des Heren. Stel je voor dat de Heiland hem persoonlijk wilde begroeten. Vincent van Gogh was tenslotte de zoon van een predikant geweest. Het schaamrood steeg hem naar de kaken als hij terugdacht aan een paar dagen geleden toen hij met Lautrec aan de bar van de Nadorst gekkigheid had gemaakt over Johannes 2 waar Jezus water in wijn laat veranderen. Ze hadden de Heer keihard uitgelachen. Op het aardse had hij de kerk eveneens verwaarloosd. Daar dacht hij zo nu en dan nog aan terug. Hij had nog maar net het ouderlijk huis verlaten of hij had de kerk de rug toegekeerd. Het kon niet anders of hij had de schepper veel verdriet gedaan. Ook in het hiernamaals was hij op dezelfde voet doorgegaan. In Johannesburg had hij slechts één keer de kerk bezocht. Dit was alweer een paar jaar geleden toen J.S. van 901 zijn dertigste lustrum in het hiernamaals had gevierd en voor de stad en vrienden van de arti in de Sint-Jan Kathedraal een orgelconcert had gegeven. Van de orgelmuziek had hij niet zo genoten, daarentegen was hij onder de indruk geweest van Louis Armstrong van 401 die naast het orgel trompet had gespeeld. Vincent had niet veel verstand van muziek, maar dat trompetspel van zwarte Louis zou hij nooit meer vergeten.

Heel in de verte, achter de muurtjes van de toiletten hoorde hij de Dames van de Derde. Het koortje oefende in het pianokamertje. Ze hadden een extra repetitie voor de Dag des Heren. Ook Zusje was van de partij. Hij had dan wel niet zo veel verstand van muziek, maar hoorde wel dat ze een mooie stem had. Hoe vaak had hij al genoten van haar zang tijdens de afwas in de keuken en ’s morgens vroeg tijdens het baden. Zusje zong bijkans de gehele dag. Hij had wel eens schertsend tegen haar gezegd dat ze met haar gezang een geschenk uit de hemel was. Een warm gevoel bekroop hem als hij nu zijn meisje voor de geest haalde. Hij droogde zijn gezicht met een aantal servetten en wierp nog een blik in de spiegel. Ja hij zou Zusje verrassen. Hij zou morgen het busje nemen. Hij zou zijn oor laten repareren en zijn bek laten reinigen en het desnoods laten vervangen door een nieuw gebit.

Het zou nog zeker een half uur duren voordat hij zijn geliefde zou zien. Hij had weinig zin om nog een half uur aan de bar te hangen naast zijn vriend Lautrec en het verliefde stelletje. Hij beliefde geen wijn of koffie meer en slap uit zijn nek lullen had hij al de hele dag gedaan. Zou hij nog even naar zijn flat gaan? Als hij morgen weg wilde moest hij nog zijn tasje inpakken. Het kon best zijn dat hij een nachtje in het hospitaal zou moeten blijven. Vincent twijfelde.

Voorzichtig opende hij de deur die toegang gaf naar de lange gang met de deuren naar het winkeltje van de huismeester, de hal en het pianokamertje. Het gezang werd nu plotseling luider. Het was donker in de gang. Vincent zocht naar een lichtknopje. De streep onder de deur van het pianokamertje gaf enigszins licht. Hij sloop naar de deur. Kakelende stemmen, gelach en dan weer gezang. De deur was dicht. Het gezang was nu plotseling heel dichtbij. Wat klonk het allemaal verrekte mooi. Heel voorzichtig opende hij de deur op een kier.

Daar stonden ze in rij, de Dames van de Derde. Vincent huiverde. Zeven mooie vrouwen. En wat zongen ze mooi. Hij had een prachtig zicht op ze. Hij had moeite om zich te beheersen. Het liefst had hij op dat moment de deur opengegooid en hen toegejuicht. O heerlijke wezens! Kijk hoe mooi zijn vriendin daar ook stond. Stuk voor stuk nam hij de zeven vrouwen op. Hij keek naar hun benen en borsten. Hij keek naar de gezichten en luisterde naar hun gezang. Hij raakte verhit en voelde een hevig verlangen. Hij merkte dat hij zweette. Maar hij kon zich hier toch niet aan hen verlustigen. Grote god, wat was hij aan het doen. Heer vergeef het mij, lispelde hij…