Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

22 Guernica

Hoe Pablo Picasso de kunstschilder van 801 ooit in het hiernamaals was terechtgekomen, was een vraag die menigeen op de arti bezighield. Het kon niet anders of de Messias zelf had hier de hand in gehad. Hij had deze zondaar op een of andere slinkse wijze de hemel binnen gesmokkeld. Maar waarom? Was de Messias mis­schien een lief­hebber van moderne kunst? Of was hij tijdens Picasso’s komst lichtelijk over­werkt geweest? Want tijdens zijn proces in het Voorportaal was Picasso onverbid­delijk naar het helle­vuur verwezen. Zijn aardse bestaan was een aaneen­schake­ling van godde­loosheid ge­weest, luidde het eensge­zinde oordeel. Bovendien was hij een regelrechte atheïst. Zelfs heden ten dagen stond meneer Picasso in de artiflat bekend om zijn onchristelijke opvattingen, zijn grove taalgebruik, zijn vloeken en zijn vrije omgang met vrouwen.

Hij had zich ook verre van populair gemaakt door zijn ideeën over de muurschilderingen welke hij op de zijgevels van de Arti had willen aanbrengen. Een opdracht die hem ten deel was gevallen ter ere van de aankomende Dag des Heren. Hoe vulgair was hij met deze opdracht omgesprongen. Want hoe had hij het aangedurfd om de Heilige Maagd, de Heilige Geest en het koppel Adam en Eva zo ordinair en godslasterend af te beelden. Goed dat hij op zijn vingers getikt was, vond het merendeel van de artibewoners. De meeste bewoners hadden hun afkeer uitgesproken nadat ze de schetsen in de Johannesburger onder ogen hadden gekregen. Nu moest hij met een emmertje latex aan de gang. God straft onmiddellijk.

‘De linker grot is voor U!’ had een stem door de luidspreker geklonken. Een bulderende stem. De stem van een of andere hogepriester uit een glazen hok. Hoe nonchalant hij ook was binnen komen wandelen, de snoeiharde woorden hadden hem doen huiveren. Voor de bedoelde linker grot zaten, stonden en hingen louche figuren. Donkere figuren met lang haar en dik bewapend met stokken en speren. Als hij het goed zag bevonden zich onder hen mismaakten.

We schrijven het jaar 1973 na de geboorte van onze heiland. Pablo Picasso bevond zich in een arena, in een overdekt stadion. Een ruimte die hem deed denken toen hij als kind met vader stierengevechten had bezocht. Ja, dat wist hij nog goed, hij zag alles nog duidelijk voor zich, zijn helderheid van geest had hem niet in de steek gelaten. Maar hier in deze kut droom zou hij geen ijsco krijgen, geen snoep en ook geen lieflijke arm om hem heen. Hier stond hij tot aan zijn enkels in de blubber.

In een glazen huis midden in het stadion had zich het tribunaal bevonden. Uit luidsprekers hadden bevelen geklonken. Bevelen van allerlei aard. Een snauwende stem had geroepen dat hij rechtop diende te staan en zijn handen uit de zakken te laten. Na het commando: ‘De linker grot is voor U’ was hij door ongure typen in de kladden gepakt en hardhandig in de richting van de betreffende grot geduwd. Hij was zelfs door de klootzakken geschopt. Het zullen soldaten geweest zijn. Hij had willen protesteren. Maar gezien hun tronies had hij het zo gelaten. Hij had trouwens toch niet geloofd in een hemel en hel, een God en Vader, laat staan een Heilige Geest. Hij bevond zich in een dodenrijk, meer niet.

Nadat hij door de soldaten in zijn kladden was gepakt was hij in een lange brede tunnel geduwd. Stikdonker was het er. Hier en daar brandde een fakkel. Het decor van een griezelfilm, een horror. Achter hem had hij de soldaten in vreemde talen horen praten. Soms werd er uitbundig gelachen. Zo langzamerhand kwam daar de angst. Steeds maar weer werd hij vooruit geduwd. Het leek alsof er haast gemaakt diende te worden. Aan het einde van de tunnel had zich een doodlopende driesprong bevonden. Hoe vaak had hij deze steeds maar terugkerende droom niet beleefd? Hoe dikwijls had hij de opperrechter niet horen bulderen: ‘De linker grot is voor U!’ Hij had het warm gekregen, stik warm. Hij was gestruikeld en in een plas terecht gekomen. Ruw was hij overeind geholpen en hadden ze hem uitgelachen. En plots kreeg hij het akelige gevoel dat hij op weg was naar de hel, de verdoemenis.

Maar in plaats van kennis te maken met de satan en zijn gevolg had een aantal jonge kerels in rode gewaden hem aan het einde van de gang opgewacht en hem bevrijd. Ze hadden hem naar het Sint-Lukas gebracht. Daar had men zijn longen gereinigd en hem verder opgekalefaterd. Twee dagen na zijn opera­ties had hij zijn intrek in de artiflat genomen en nog wel op één der hoogste etages, op nummer 801. Pablo had er niets begrepen, maar hij was de koning te rijk.

Zijn buren op de achtste bleken allen van stand. Naast hem op 802 woonde een muzikant, een grote man. Een kort knikje was zijn welkomstgroet geweest. Hij herinnerde zich dat nog als de dag van gister. Pablo had het idee dat hij de man eerder had ontmoet, de man met het brilletje en het eierhoofd. Hij zou er nog wel achter komen. Zijn geheugen was prima in orde. Naast de reus woonde een dirigent. Op nummer 804 woonde niemand minder dan de Hollander Rembrandt van Rijn. Voorlopig zou deze de enige zijn waar hij zo af en toe een praatje mee maakte. Over het mooie weer bijvoorbeeld. Maar het bleek dat het in het hiernamaals altijd mooi weer was. Op de hoek, op nummer 805 woonde alweer een muzikant, een componist. Buurman Van Rijn deed hem geloven dat de man scharrelde met een zangeres van de derde. Geroddeld werd er dus ook in het hiernamaals. Goed zo!

Voorlopig bleef Picasso weinig contact houden met zijn buren op de achtste. Hij bevond zich liever op de laagste etages. Daar woonde zielen waar hij het aardig mee kon vinden.

Hoe vreemd zijn intrede in de hemel ook geweest moge zijn, zijn geboorte op aarde was evenmin normaal verlopen. De jonge Pablo had niet geademd en bewegen deed hij evenmin. Een doodgebo­ren kindje, had de moeder gesnikt. Zij had dus voor niets een strijd gestreden om het kereltje op de wereld te zetten. Maar niets was minder waar. Want nadat de dokter het kindje eerst hevig door elkaar had geschud en vervolgens siga­renrook in het neusje had gebla­zen was de baby gaan blèren. Goddank, het leefde!

Was de geboorte niet gemakkelijk geweest, het opgroeien liet eveneens te wensen over. Het leren voor de kleine werd een drama, het naar schoolgaan een kwelling. Lezen en schrijven was er niet bij. Het enige dat hem interesseerde waren zijn tekeningetjes. Tekenen was zijn communicatie­middel. Als hij trek had in een koekje, tekende hij een koekje. Moest hij een plasje doen dan tekende hij een piemeltje. Hij schilder­de reeds voor hij kon lezen. Het eerste woordje dat hij kon schrijven was potlood. Al spoedig hadden zijn ouders in de smiezen dat er een wonderkind in hem school.

Picasso’s eerste conflict met God was ontstaan tijdens zijn vroege jeugd. Nadat zijn zusje na een lang ziekbed was gestorven, besloot hij dat God voor hem bedorven was. Want een onschul­dig meisje van acht laat je niet lijden en sterven. Met zijn tekening Christus die de duivel zegent startte hij zijn agressie tegenover God. Als jongeman sloot zich aan bij de communis­tische partij en aan ieder die het horen wilde verkondigde hij atheïst te zijn. In zijn schilderijen uitte Pablo het verlangen de wereld te shoqueren, uit te dagen, te vernietigen, te her­scheppen. Maar hij schilderde ook het aardse leed. Zijn Guernica was een protestschilderij naar aanleiding van een bombardement dat de fascisten hadden uitgevoerd op het stadje Guernica.

Dikwijls had hij zich afgevraagd of God de Vader misschien onder de indruk geweest was van zijn Guernica. En dat hij hem daarom een plaatsje in het hiernamaals had toegewezen. Vaak voerde hij lange gesprekken met de oude dame Marlene Dietrich van nummer 107. Tussen het vrijen door vervloekten zij klootzakken als Hiter, Franco en Mussolini.

Nee, een normaal aardbewoner was Pablo Picasso nimmer geweest. Verre van dat! Als hij niet in zijn atelier was, dan trof je hem aan in cafés en bordelen. Hij rookte als een schoorsteen, dronk als een ketter en neukte aan de lopende band. Met zijn gitzwarte ogen, zijn klassieke hoofd, zijn korte nek, en brede borst, veroverde hij vrouwvolk bij de vleet. Tientallen waren gesmolten voor zijn charme, en dierlijke aantrekkingskracht. Hij verslond ze. Hij was de mannelijke versie van de femme fatale. Van iedere vrouw, of het nu een prostituee betrof, een vriendin, of echtgenote, werden schilderijen gemaakt. De vrouwen die hij eens bemind had verschenen later in de meest wonderbaarlijke composities op het doek. Hoe kon het toch mogelijk zijn dat de Messias zo’n barbaar in zijn Konink­rijk had toegelaten?