Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

122 Happy hour 2

Het was een mooie namiddag. Er scheen nog een flauw zonnetje en er woei een aangenaam briesje. De terrasdeuren van café de Nadorst stonden wijd open. Van binnenuit klonk het cafégebeuren. Op een van de terraszitjes zaten de tweeënzeventigjarige organist componist doctor Anton Bruckner van 601 en de zesentwintigjarige liedjeszanger Otis Redding van 111. De twee waren vrienden geworden toen ze op een middag elkaars verdriet hadden gedeeld over het gemis van Annette, de juffrouw van de wasserette, de vrouw die van de ene op de andere dag de arftiflat had verlaten, de vrouw waar beiden waanzinnig verliefd op waren geweest. Ze hadden door gesprekken elkaars steun gezocht, wandelingen gemaakt en uitstapjes naar onbekende dorpen en steden. Ze hadden kerken en kathedralen bezocht. Ze hadden er geknield en gebeden. Anton had orgels bespeeld, waaronder het orgel van de beroemde Here Jezus Christus Kathedraal in Voorstad St Jacoba, de Bloemenstad. In de kerk had een prachtige piëta gestaan. Geruime tijd hadden ze vol bewondering voor het marmeren beeld gestaan.

‘Mijn god, kijk nou eens,’ had Anton gestameld.

‘Lieve Here Jezus,’ had Otis gehakkeld, ‘wat mooi.’

‘Zie jij wat ik zie?’ De kleine, ietwat kromme kale man, had zijn donkere vriend plotseling stevig tegen zich aangedrukt.

‘Juffrouw Annette.’

Anton had zijn tranen de vrije loop laten gaan. Zijn gelaat had steun gezocht op de schouder van Otis. Toen ze enigszins bekomen waren had Anton zonder enige aankondiging de trap naar het orgel bestegen. Niet veel later was het instrument in alle hevigheid losgebarsten. En al had Otis geen idee wat een toccata en fuga inhield, nooit had hij geweten dat een dergelijk muziekstuk zo mooi had kunnen klinken. Zijn applaus had luid door de vrijwel lege kathedraal geëchood.

‘Dat was een moppie van onze vriend J.S. Je weet wel die kanjer van de negende,’ had Anton hem met een ondeugende glimlach en bezweet voorhoofd later uitgelegd. Otis had geknikt en geprobeerd de kanjer J.S. voor de geest te halen. Als toetje had Anton de door hem gecomponeerde Psalm 150 gespeeld. Boven het orgelspel uit had de krakerige stem van Anton geklonken, en tot tranen toe was Otis geroerd toen hij zijn lied I’ve got dreams to remember door de kathedraal had horen denderen.

Thans bezocht Otis bijna dagelijks het ruime appartement op 601. Een feest was het om vriend te mogen zijn met een doctor in de klassieke muziek, te luisteren naar zijn orgelspel, te luisteren naar de verhalen van de grote meesters en… te mogen baden in zijn ruime badkamer. Zeker driemaal per week dobberde hij er rond. Op de eerste etage moesten de bewoners, bij gebrek aan een fatsoenlijke badruimte, zich behelpen bij de gootsteen in het keukentje. Het bad van Anton vond hij werkelijk het einde. De maestro zelf maakte geen gebruik van zijn badkuip. De badkamer was bij het appartement inbegrepen, had hij Otis laten weten, van hem had het niet gehoeven. Wassen deed hij zich bij het aanrecht.

Nu volgden de twee vrienden de jongleer-verrichtingen van Vaslav van 506. Anton had zojuist een verse sigaar opgestoken. Voor hem stond een glaasje jenever. Otis dronk ijskoffie. Ver achter de kegelbaan, in het heuvelland keerde meneer Ludwig van 903 met zijn huishoudster Elisa terug van hun dagelijkse wandeling. Even verderop, onder een clubje olijfbomen, aan de rand van het terras, zat Nannie Mozart van 306. Ze staarde voor zich uit en mompelde onverstaanbaarheden. Als je niet beter wist zou je denken dat de vrouw in de war was. Binnen in het café was het druk, met geroezemoes, gelach en geroep. Op het terras heerste rust, werd er nauwelijks gesproken. Toen verbrak Anton de stilte. Hij aarzelde, kuchte, plukte aan zijn stoppelsnor, nam een paar ferme trekken van zijn sigaar en zei:

‘Zal ik jou eens een geheimpje verklappen?’ Otis keek hem vragend aan.

‘Vertel.’

‘Ik denk dat ik de mogelijkheid zal onderzoeken om een oude wens van mij in vervulling te laten gaan, ik…’

‘En dat is?’ vroeg Otis nieuwsgierig hem onderbrekend.’ Anton keek zijn donkere vriend bestraffend aan. Hij schudde even het kale hoofd en vervolgde:

‘Mijn grote wens is om hier in Johannesburg een sigarenspeciaalzaak te openen. Otis keek zijn meerdere met opgetrokken wenkbrauwen aan. ‘Jazeker, een speciaalzaak.’ Terwijl hij dit zei, draaide hij zijn sigaar tussen duim en wijsvinger, keek er langdurig naar, al zou deze gekeurd moeten worden, en rook er aan. ‘Er staat al geruime tijd een kiosk leeg op de Boulevard Antonius, nabij het Plein van de Hemelse Vrede. Een ideale plek voor een exclusieve sigarenzaak.’ Terwijl hij zijn plan aan Otis toevertrouwde trommelde hij een syncopisch ritme op de sigarendoos die voor hem op tafel lag.

‘Poeh,’ zei Otis.

‘Zo is dat.’

‘Doet ie het nou met vier ballen of vijf,’ vroeg Anton Bruckner aan zijn jonge vriend, nadat er een moment van stilte was gevallen. Hij wees naar de kegelbaan. ‘Ik kan het niet zo gauw bekijken.’

‘Ik denk dat het er vier zijn,’ antwoordde Otis. Zijn blik was echter niet gericht op de ballende Vaslav maar op de treurig kijkende en zuchtende Nannie Mozart van 306. Er stond een sorbet op haar tafel, zojuist neergezet door nichtje Freddie Queen. Otis had aan weinig mensen een hekel, maar van dit soort mannetjes moest hij niets hebben. Voorlopig leek het alsof de lekkernij van Nannie onaangeroerd bleef.

‘Yes,’ klonk er regelmatig van de kegelbaan, of ‘shit,’ of ‘kut,’ als de jongleur een van de ballen liet vallen.

‘Ik zou al moeite hebben met één bal,’ lachte Anton zijn gele tanten bloot.

‘Maar meneer Vaslav is acrobaat, antwoordde Otis enigszins afwezig omdat zijn blik nog steeds op de treurende vrouw gericht was, ‘en jij orgelaar.’

‘Organist, verbeterde Anton hem. Hij keek nu ook de kant van de vrouw op.

Toen Nannie zag dat de twee haar richting uitkeken lepelde ze voorzichtig enkele hapjes van haar sorbet. Anton Bruckner kuchte en probeerde zijn stompje sigaar weer in de brand te krijgen. Terwijl hij Otis aankeek en de as van zijn sigaar naast zich op het terras strooide, riep hij naar de vrouw:

‘Misschien vindt u het leuk om bij ons aan te sluiten,’ Uitnodigend schoof hij een van de stoelen naar achter. ‘Alleen is maar alleen,’ voegde hij eraan toe.

‘Ja,’ zei Otis, ‘komt u er gerust bij. Nannie twijfelde, maar stond toch op, nam haar glas met ijs, en liep naar hen toe. Beide heren stonden op. Anton schoof galant de stoel onder haar.

‘Gezellig,’ zei hij, terwijl hij haar snel van top tot teen opnam. In een oogopslag zag hij dat zij niet zijn type was. Er zat weinig meisjesachtigs aan de vrouw. Hij slurpte het restje jenever uit zijn glaasje en keek naar de openstaande deuren al zou hij nog wel een borreltje lusten. Vanuit het café klonk nu accordeonmuziek.

‘Sigaartje mevrouw?’ vroeg Anton lacherig zijn doosje voor haar houdend.

Toen barste Nannie in huilen uit.

Aan de bruine tafel naast de openstaande terrasdeuren zaten de hooggeplaatste meesters J.S. van 901, zijn vriend Frederik Händel van 703, en de schrijver Wolf von Goethe van 902. Met aandacht volgden ze de verrichtingen van Amadeo, die op de rand van het biljart zat en op het punt stond een piquéstoot uit te voeren. Amadeo woonde op 904. Aan de zijde van J.S. zat de beeldschone Marianne Gottlieb, hoofd van monumentenzorg van Johannesburg en sinds de verbouwing van de Bethlehemkerk zijn vriendin. Liefdevol streek de vijfenzestigjarige musicus zo nu en dan over haar ruige rode haardos. Met gesloten ogen liet ze zich de liefkozingen welgevallen.

‘Zoek nu zelf even een stoel op kleine meid,’ onderbrak Wolf von Goethe de stilte en duwde zijn vriendinnetje voorzichtig van zijn knie. ‘Ik krijg kramp van jou.’ Gehoorzaam wipte Lieve van haar weldoener en liep regelrecht, al zou zij gepikeerd zijn, naar de bar. Wolf streek zijn broek glad en stak schouderophalend een sigaret op.

‘Godver,’ schold Amadeo toen hij zijn kunststoot miste. Het ketsen was door het gehele café te horen.

Mannenogen volgden het minirokje van Lieve. Ze bleef staan achter Van Gogh en zijn vriend Lautrec. Het leek alsof zij op het punt stond een grap uit te halen. De twee niets vermoedende vrienden waren in een heftig gesprek gewikkeld toen ze plotsklaps gelijktijdig een harde klap op hun schouders kregen.

‘Kolere,’ schrok Lautrec, zich met een ruk omdraaiend.

‘Here me tijd,’ schrok ook Van Gogh.

‘Slecht geweten, heren?’ vroeg ze met een spottende lach, en tegen de barkeeper: ‘Geef deze twee mooie jongens iets van mij, en neem zelf ook iets lekkers.

Jawel zeker, mevrouw Lieve was inmiddels bekend in het café. En hoe! Ze had al een aardige reputatie opgebouwd sinds ze bij Wolf von Goethe was ingetrokken.  De vaste klanten van de Nadorst kenden haar reeds goed. Het gebeurde regelmatig dat, als haar vriend ’s avonds laat in slaap was gesukkeld, dat zij de lift nam om de laatste ronde in de Nadorst bij te wonen. Gehaat en geliefd was ze, een middenweg was er nauwelijks. De wildste geruchten gingen over haar. Roddelaars noemden haar een dame van de straat, een hoer. Anderen noemden haar mama Lieve. Men kon het nauwelijks bevatten dat Von Goethe, toch niet de eerste de beste, zich met dit type vrouw inliet.

Mama Lieve, deze bijnaam had ze te danken aan de rol die ze als moeder had vervuld tijdens de aanwezigheid van het jongetje, dat enkele weken op 902 had vertoefd. Het joch was door niemand minder dan de Heilige Maagd Maria bij Herr von Goethe afgeleverd. Als een echte mama had Lieve zich met liefde over hem ontfermd. Het speelse, intelligente knaapje in zijn witte overall pakje, waarvan men beweerde dat hij de zoon van de schrijver was, had in een mum van tijd de harten veroverd van menig artibewoner.

Ondanks dat papa Goethe bezwaar had tegen omgang met lieden van de lage etages, had het jongetje vriendschap gesloten met Chet Baker, de trompetblazer van 103, huismeester Gerrit Smit, zijn hondje Lodewijk, die hij dagelijks uitliet en mee door het heuvelland wandelde, mevrouw Mahalia Jackson van 205, sinds kort het liefje van de huismeester, die hij steevast tante noemde, alsmede de schreeuwmeisjes Janis en Amy. Doch hij had ook contacten met meneer Ludwig, de buurman van papa, en met de aardige kunstmeneer Picasso. Sneu was het dat het jongetje een beetje bang voor zijn vader was. Zielsgelukkig was hij echter met mama Lieve, die hij in de kortste keren als een echte moeder koesterde.

Waar was het kind trouwens gebleven, vroegen sommige bewoners zich af, want van de ene op de andere dag was het jongetje verdwenen, het geluid van het gedribbel over de galerijen, en het geluid van de kinderlijke sopraanstem was verstomd.

Marianne Gottlieb, de vriendin van J.S. excuseerde zich, keek om zich heen, nam haar tasje van tafel en liep naar het toilet. Manspersonen veerden op en keken haar na. Zo de één, zo de ander. God nog aan toe, wat een contrast met mama Lieve. Alles aan deze vrouw leek perfect, pure schoonheid. Ze was gekleed in een lange dunne zwarte rok tot net boven haar halfhoge laarsjes. De rok was een weinig doorzichtig. Iets van kousen droeg ze niet, sokjes misschien, maar die zaten dan verborgen.

Frederik Händel zuchtte en keek de vrouw na. Hij vond dat zijn vriend J.S. het met zijn Marianne goed voor elkaar had, absoluut een vrouw van niveau, een schoonheid. Haar gelaat was uitgesproken mooi, haar glimlach was betoverend, een mond om te zoenen, en dan ook nog eens die stoere kop met wilde haren. En nu zij van haar plaats wegliep, werd hij getroffen door haar achterste, wat een prachtige kont! Begeerlijk volgden zijn ogen haar gang naar het toilet. Hij bleef haar volgen tot aan de wc-deur. Zou hij ernaar toe rennen om de deur voor haar open te houden? Terwijl er een glimlach om zijn mond verscheen slaakte hij een diepe zucht en stak een sigaar op. Direct daarna ontsnapte de eerste kringeltjes rook uit zijn mond die hij vervolgens kunstig naar boven blies, een specialiteit van hem.

Net toen Marianne de deurklink van het toilet zou vastgrijpen werd zij op de schouders getikt door Marlene Dietrich van 504.

‘Hadden wij al kennis gemaakt,’ vroeg ze met haar donkere bariton stem. Marlene zat op de hoek van de bar, dichtbij de keuken en de deur naar het terras. Ze zat naast de kleine Nokia, de vriendin van Dmitri Sjostakovitsj. Marianne keek de oude dame vragend aan. Marlene stond op en stak haar een hand toe, een hand geheel bedekt met een doorzichtige lange handschoen die zeker tot haar elleboog reikte. In haar andere hand hield zij een sigarettenpijpje. Ze droeg een grijze hoed, eerder een mannen dan een vrouwenhoed terwijl haar gezicht voor de helft bedekt werd door een voile. Zo op het eerste gezicht leek ze onvast op haar benen te staan. Op de bar stond haar glas champagne. Met haar zachte stem antwoordde Marianne dat dit de eerste keer was dat ze in de Nadorst vertoefde. Verder vertelde ze dat ze de vriendin van Sebastiaan Bach was. Ze wees naar de bruine tafel bij het raam. Maar misschien wilde mevrouw haar nu excuseren. Marlene, die tegen de sigarettenautomaat aangeleund stond, knikte haar vriendelijk toe en nam weer plaats op haar barkruk.

‘Ga maar lekker plassen, meid,’ mompelde ze nog.

Frederik Händel wriemelde aan zijn oorringetje en dacht aan Lucy van 304, het lieve kind waar hij de laatste tijd zo af en toe mee vree. Vrouwen als Marianne Gottlieb schenen niet voor hem bestemd te zijn. Dus nam hij met minder genoegen. Niemand op de flat had weet van zijn nachtelijke uitstapjes naar de derde. En hij wilde dit liever zo houden. Op 304 woonde ze. Het was een lief en gewillig meisje, een kind meisje eigenlijk. Van oorsprong was ze amusementsvrouwe. Hier op de arti was ze lid van het zanggroepje de Dames van de derde. Hij moest er niet aan denken met haar bij zijn vrienden aan te komen, en aan te schuiven bij de bruine tafel. Haar schelle stem, overdreven schaterlach en domme opmerkingen. Om nog maar niet te spreken over haar soms kinderlijke kledij. Was het de ene dag een matrozenpakje dat ze aan had, de andere dag was ze gehuld of beter gezegd verkleed als dienstertje compleet met grote witte strikken in het haar, terwijl ze de volgende dag doodleuk tevoorschijn kwam in een bruin lederen rok bijeengehouden door een koord, een overhemdblouse met borstzakjes, een cowboyhoed en laarzen met sliertjes. Gelukkig zag hij haar meestal ’s nachts in een babydoll, hetgeen hem soms buiten zinnen maakte. Hij moest per slot van rekening toch wat met zijn seksuele behoeftes. Al irriteerde de kop met krulspelden hem. Maar daar had hij de laatste keer iets van gezegd. Overdag ontweek hij haar. Misschien zou hij haar vanavond nog even opzoeken, hij was daarvoor in de stemming.

Zijn ogen bleven gericht op de hoek bij de sigarettenautomaat waar nog steeds de vriendin van zijn vriend stond, ze leek in gesprek met mevrouw Dietrich. Hij nam een slokje van zijn cognac en dacht: O god, wat mis ik toch veel. Plotseling merkte hij dat J.S. naar hem zat te kijken. Hij verschoot van kleur. Hij voelde zich betrapt. Uit de asbak nam hij het stompje sigaar en stak dit met trillende handen in de brand.

‘Zet die godverdommese muziek eens wat zachter,’ riep Miles Davis. Al eerder hadden enkele bezoekers kritiek geuit op de luide muziek. Resoluut zette de cafébaas zijn muziekinstallatie uit. Voor een moment was het stil in het café. Eenieder leek naar Wig te kijken. In zijn nek waren rode vlekjes verschenen. Doch spoedig ging de stilte weer over in geroezemoes onderbroken door een kreet of een onverwacht harde lach. Gepikeerd keek de barman toen Erik Satie, zittende naast Frank Zappa, zijn nog geheel gevulde glas bier om liet kieperen. Het vocht verspreidde zich razendsnel over de bar. Net op tijd kon Frank Zappa zijn pakje sigaretten in veiligheid brengen.

‘Sorry maestro,’ verontschuldigde Satie zich met een zure glimlach.

‘Geeft niet,’ antwoordde Wig en veegde met een doekje het bier van de bar. Vervolgens tapte hij een nieuw glas in voor zijn klant.

‘Van het huis,’ zei Wig.

‘Waar blijft onze Exodus?’ sneed de stem van Janis Joplin door het café.

‘Komt er aan,’ riep Wig geërgerd. Hij knoopte de bovenste helft van zijn overhemd los en met hetzelfde doekje waarmee hij zojuist het biervocht van de bar had weggeveegd depte hij zijn hals. Zijn kale hoofd glom. Ongewoon luid riep hij naar Freddie die in de keuken stond waar de cocktails bleven.

Janis Joplin zat met haar vriendin Amy Winehouse aan het kleine bruine tafeltje naast de schuifdeuren. De twee meiden hadden vanaf hun plaats een mooi zicht op het café gebeuren, ze zaten zogezegd eerste rang. Zoals meestal hadden de twee schik voor drie. Ze maakten gekkigheid over lieden om hen heen. Met hun dikke sigaretten probeerden ze Frederik Händel te imiteren door kunstige kringetjes in de lucht te blazen. Hun dikke hasjiesj dampen verdwenen echter regelrecht naar het plafond. Ook hadden ze de hele avond het hoge piepstemmetje van mama Lieve geïmiteerd. Recht voor hen stond de biljarttafel, met daar weer achter de ruim bezette leestafel. Schel was hun lachen toen Amadeo met een rood hoofd het biljart verliet.

Na het missen van zijn piquéstoot en daarbij het hinderlijk ketsen vond Amadeo het welletjes. Terwijl hij zijn keu uit elkaar schroefde wenkte hij Fanny. Deze sprong met een brede glimlach van haar kruk en kwam naar hem toe. Eindelijk, zuchtte ze binnensmonds. Ze voelde hoe ogen in haar rug prikten. Wat doet dat mens hier? Hoorde ze denken. Ze wist dat er geroddeld werd over haar. Zij was de vrouw die samenwoonde met een andere vrouw, genoeg reden om te kletsen dus. In het hiernamaals stond de vrouwenliefde nog op een laag pitje. Gelukkig dat Amadeo bij haar was en haar als een normale ziel behandelde. En trouwens, mocht ze misschien zelf uitmaken met wie ze omging? Met opgeheven hoofd liep ze naar hem toe.

‘Ik heb een afspraak met je broer,’ had ze die middag tegen haar Nannie gezegd. Die kon haar oren niet geloven en was de rest van de middag onbereikbaar geweest. Met een wipje sprong ze naast haar date op de rand van het biljart.

Verderop aan de bar, naast de schilder Lautrec, zat de componist Dmitri Sjostakovitsj. Het bier leek hem te smaken. Twee halfvolle glazen van het gele vocht stonden voor hem, uit een derde glas dronk hij. Naast hem zat zijn kleine vriendin, de accordeonist Nokia.

‘M’n geheugen, m’n geheugen. Je moet er niet aan toegeven dat je geheugen je in de steek heeft gelaten. Kom op, begin nog eens bij het begin,’ sprak Sjostakovitsj ongeduldig, terwijl hij de dikke glazen van zijn bril schoonpoetste. Hij nam een slok van zijn bier en met een knik gaf hij Wig te kennen dat hij er nog wel een lustte. Vervolgens stak hij een sigaret op. ‘Denk nog eens goed na.’ Nokia wiebelde met haar korte beentjes boven de vloer. Naast haar kruk stond haar accordeon. Als ze haar best deed kon ze met haar tenen het instrument aanraken. Verlegen, bang dat zij het gesprek zou volgen, keek ze naar haar buurvrouw Marlene Dietrich. Nokia vond haar een sjieke mooie dame, al kleedde ze zich wel erg opzichtig, en leek ze ook wel erg oud. Ze vond zichzelf in haar korte sportbroekje en trainingsjack wel erg uit de boot vallen.

‘Nou?’ vroeg Sjors ongeduldig, ‘hebben we nog contact? Ik wil wel weten met wie ik te doen heb, ik bedoel, wat je afkomst is, wat ik in huis haal, als het tussen ons iets mocht worden, begrijp je?’ En hij dacht: ze moet zich toch echt eens scheren, het lijkt goddomme wel een snor die ze aan het kweken is. Uit haar ooghoeken keek Nokia naar haar buurvrouw. Maar deze bekommerde zich niet om het kleine gebrilde vrouwtje met de kortgeknipte zwarte haren.

‘Ik weet nog dat mijn moeder erg ziek was,’ begon ze. ‘We woonden bij de grens. Welk land weet ik niet meer, maar er was veel prikkeldraad, en er stonden houten torens.’

‘Goed zo. Ga door. Je hebt dit al eens verteld, maar wie weet,’ onderbrak Sjors haar, terwijl hij nerveus aan zijn spuuglok draaide. En hij dacht: volgens mij was ze eerder de pijp uit dan ik. Wig zette een nieuw glas bier voor hem neer. Met een knikje bedankte hij de barkeeper.

‘Deze kunnen weg?’ vroeg de barkeeper wijzend op de twee halfvolle dode biertjes.’ Sjostakovitsj maakte een wegwerpgebaar ten teken dat hij deze inderdaad kon opruimen.

‘Ik stond met vis op de markt. Als ik mijn ogen sluit, ruik ik het nog.’

‘Ja, en verder?’

‘O ja, ik speelde in een orkestje.’ Onwillekeurig keek ze naar beneden, naar haar accordeon naast de barkruk.

‘Toe maar.’

Mevrouw Dietrich die blijkbaar haar best deed de twee af te luisteren en een beetje geringschattend naar Nokia keek zei plotseling:

‘Waarom speel je geen moppie, moppie.’ Nokia boog haar hoofd enigszins naar beneden. Sjors wachtte tevergeefs op het vervolg. Daar hield meestal haar verhaal op. Daarna kwamen meestal de verhalen over de verschrikkingen van het purgatorium, het bruine gebouw, hoe ze gechipt werd, en hoe ze tenslotte in de kunstenmakers kolonie de Trapeze terecht was gekomen. Hij nam een slok bier, boog zich iets voorover en keek langs Nokia naar Marlene Dietrich.

‘En mevrouw Dietrich wat is uw achterland?’ vroeg hij.

‘Pardon?’

Sjors zag dat de oude dame aangeschoten was.

‘Ik vroeg wat uw achterland was.’

‘Laat mij er even buiten. Ik heb het allemaal niet zo goed meer op een rijtje.’

‘Jammer dan.’