Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

47 Het koffertje van Anton

‘Daar ben ik dan,’ groette juffrouw Annette toen ze die avond klokslag acht in de deuropening van appartement nummer 601 stond. Het was een week na het uitstapje met de bewoners van de zesde etage naar Worldpark in Voorstad Sint-Jacoba, de Bloemenstad. Een allesbehalve gemakkelijk reisje, daar Robert Schumann van 603 die dag zo erg in de war was geweest, en ook nog eens een ongeluk met de botsautootjes had gehad. Ook had ze nog menigmaal de rondrit in de rups voorbij zien gaan met de man die nu voor haar stond. Ze herinnerde zich zijn opdringerigheid. Zijn lichaam tegen het hare. Zijn arm om haar schouder. Zijn onaangename lichaamsgeur. Zijn gezicht bij het hare… Waarom had ze dan toch met hem afgesproken? Doctor Anton Bruckner maakte een hoffelijke buiging naar zijn gast in de deuropening. ‘Welkom,’ zei hij. Met een sierlijke armzwaai nodigde hij Annette uit om binnen te treden. Hij keek naar haar benen. Aan de wand van de ruime hal hing een groot donker schilderij met het hoofd van een weinig vrolijk kijkende man met zwarte baret.

‘Uw vader?’ vroeg juffrouw Annette.

‘Richard Wagner,’ antwoordde Bruckner.

‘O die, zei Annette.’ Maar ze had geen flauw benul wie hij was.

‘De meester aller meesters. Hij woont in Sint-Petrusburg, ergens hoog in de Toren van Babel.’ Bruckner ging haar voor naar de woonkamer. Een donkere grote kamer waar Annette op het eerste gezicht weinig kon onderscheiden. Een bedompte lucht van dikke gordijnen, tapijten, stof en sigarenrook trad haar tegemoet. Zo erg, dat dit alles op haar keel sloeg en ze voor een ogenblik naar adem moest happen. In het midden van het vertrek stond een grote ruwe rechthoekige donkerbruine houten tafel met aan weerskanten zes stoelen met hoge ruggen en houtsnijwerk. Aan de wand hingen schilderijen met bedroefde hoofden, waaronder nog een keer de meneer van uit de hal. Verder Mariabeelden en verschillende versies van Jezus aan het kruis. Echt gezellig kon ze het niet vinden. Haar gastheer nodigde haar uit te gaan zitten aan de grote tafel. Op de tafel rustte een indrukwekkende grote lederen Bijbel met gouden scharnieren, met daarop een asbak vol sigarenpeuken. Doctor Bruckner ontstak een paar kaarsen die het geheel spookachtig maakte. Daarna nam hij plaats tegenover haar. ‘Fijn dat u er bent,’ zei hij zacht. Annette knikte.

‘Ik vind het ook wel leuk,’ antwoordde ze. Nieuwsgierig keek ze om zich heen. De benauwde lucht deed haar denken aan een bejaardentehuis.

‘U belieft misschien een kopje thee?’ Bruckner was er bij gaan staan. Juffrouw Annette keek in zijn ronde gezicht met kale schedel. Naar zijn grijze kostuum met duidelijke vlekken in het kruis. Zij deed hem denken aan vroeger op het aardse. Zij deed hem denken aan dingen waar ze liever niet meer aan dacht.

‘Ja, alstublieft, lekker een kopje thee.’

‘Komt er aan,’ zei Bruckner vrolijk. In de keuken hief de componist luid een lied aan. Juffrouw Annette kon niet volgen of het inderdaad om een lied ging of dat het zomaar een improvisatie betrof. In ieder geval zong hij vanuit zijn tenen. Hij geneerde zich geenszins. Integendeel, hij zong alsof de hele artiflat hiervan getuige moest zijn. Toen hij even later al zingend met een dienblad weer tevoorschijn kwam, zei hij: ‘Herkent u het?’ Juffrouw Annette haalde haar schouders op en schudde van nee.

‘Ik dacht dat u zo maar iets zong.’

‘Zomaar iets zong, zomaar iets zong,’ antwoordde Bruckner plagerig. ‘Dat was het beginthema uit mijn vierde symfonie, de romantische. De beroemde hoornsolo, weet u wel. Ik zong dit speciaal voor u. Hoe vindt u dat!’ Hij zette het dienblad midden op tafel en bediende Annette met haar thee. Daarna nam hij weer plaats tegenover haar en bleef haar geruime tijd strak zitten aankijken. Een beetje eng, vond juffrouw Annette. Ze wist zich maar moeilijk een houding te geven. Binnen een mum van tijd zat ze met een vuurrood hoofd. Met terneergeslagen ogen roerde zij in haar thee. Kon ze niet beter opstaan, hem bedanken voor de thee en vertellen dat ze niet gediend was van zijn brutale blik? Bruckner stak een sigaar op. Tegelijkertijd wuifde hij de rook rond zijn hoofd alle kanten uit.

‘Ik weet niet veel van symfonieën,’ zei ze tenslotte. Ze had het benauwd. Ze wilde hier zo snel mogelijk weg. Ze had het idee dat de man iets van haar wilde. Iets waar ze helemaal geen zin in had. Zij voelde zijn ogen al geruime tijd op haar lichaam.

‘Lieve kind,’ antwoordde doctor Anton Bruckner, geneer je niet. Zelfs hier op de arti zijn er zielen die zich alleen maar met de vijfde symfonie van Beethoven bezig houden. Nou, die kennen we zo langzamerhand wel, vind je niet? Maar er zijn meer hondjes die Lodewijk heten…’ Bruckner haperde en onderbrak zijn eigen betoog. ‘Ach, wat klets ik toch. Wij zijn hier immers niet om over muziek te praten. Kijk eens wat een schoonheid hier tegenover mij zit.’ Hij keek naar haar borsten. ‘Ik dank God, dat u mijn nederige woning bent binnen getreden, lieve juffrouw.’

Terwijl hij dit zei, dacht hij aan het koffertje in de gangkast. Het koffertje dat hij nu toch eens eindelijk wilde openen. Hij zou de juffrouw tegenover hem naar zijn wensen en verlangens willen aankleden. Ja, dat wilde hij. Dat wilde hij al zo lang en nu had hij dus zijn kans en die wilde hij niet voorbij laten gaan. Zou hij de mooie juffrouw zo ver krijgen om enkele van zijn favoriete kledingstukken aan te trekken en speciaal voor hem te dragen?

‘De vijfde symfonie van Beethoven, die ken ik wel,’ zei juffrouw Annette een beetje opgelucht. ‘Die hebben we ooit op school behandeld. Mooi, heel mooi vond ik dat.’ Natuurlijk, dacht Bruckner, het lieve kind heeft op school gezeten. Wat zou hij haar als meisje graag gekend willen hebben. In gedachten zag hij haar in schooluniform, een pakje met rokje en kniekousjes. Oh heerlijkheid der heerlijkheden!

‘U heeft op school gezeten?’ vroeg Bruckner verstrooid. Maar hij kon zich gelijk wel voor het hoofd slaan om zoiets doms te vragen. Juffrouw Annette keek hem niet begrijpend aan. ‘Wat een stomme vraag,’ verbeterde de musicus zich snel. ‘Natuurlijk heeft u op school gezeten. Wie heeft er nu niet op school gezeten, ha ha ha ha ha…’ Tijdens zijn lachsalvo stond hij op en liep met vastberaden tred naar de hal om terug te keren met een klein bruin lederen koffertje dat hij demonstratief voor juffrouw Annette op de tafel zette. De zware Bijbel schoof hij terzijde. ‘Misschien wilt u mij een plezier doen, lieve juffrouw,’ zei Bruckner, terwijl hij het koffertje opende. ‘Zou u zo vriendelijk willen zijn om eens te kijken of er iets van uw gading tussen zit?’ Vervolgens spreidde hij verschillende kledingstukken voorzichtig, al zouden deze breekbaar zijn, uit over de grote tafel en vouwde deze zorgvuldig in vorm. Even later lagen er jurkjes, rokjes, hemdjes, slipjes, sokjes en wat al niet meer. Juffrouw Annette keek haar ogen uit. Wat gebeurde hier. Was die man wel goed bij zijn hoofd? Bruckner stond met de handen in de zij als een koopman achter zijn kraam. Zijn wangen hadden inmiddels wat kleur gekregen.

Het gebeurde wel meer dat hij zijn koffertje tevoorschijn haalde en de jurkjes, rokjes en broekjes voor hem uitspreidde. Puur voor zijn plezier, puur voor de opwinding. Geblokte rokjes en matrozen jurkjes. Hij streek erover en lispelde lieve woordjes. Hij kon zijn fantasie zo manoeuvreren dat hij meende dat de jurkjes tot leven kwamen en er meisjes in zag. Meisjes van vlees en bloed met kniekousjes en strikjes in het haar. Hij gaf ze zelfs namen en was lief voor hen. Hij speelde zijn spel, waarna hij zijn meisjes tenslotte besproeide…

Juffrouw Annette keek van de meisjeskleding op tafel naar het verhitte gezicht van Anton Bruckner en weer terug. ‘Ik zou het zeer op prijs stellen indien u een jurkje zou willen uitkiezen en dat voor mij zou willen aantrekken. Ik zal u hiervoor uiteraard rijkelijk belonen.’

‘Moet dat nu echt,’ vroeg Annette gepikeerd. ‘Maar daar zijn de jurkjes veel te kinderachtig voor. Daar voel ik me absoluut niet in thuis.’ Terwijl ze dit zei, keek ze naar de deur. Ze was bang voor de man die daar achter de tafel jurkjes en rokjes glad stond te strijken en haar daarbij glazig aan zat te kijken. Hij zou haar rijkelijk belonen, wat bedoelde hij daar mee? Wilde hij haar kopen. Wilde hij echt betalen voor haar? ‘Ik moet daar over nadenken, meneer Bruckner,’ vervolgde ze, terwijl ze opstond. Misschien een andere keer.

‘Meneer, meneer, niks geen meneer, noemt u me alstublieft Anton.’ Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.

‘Ik moet nu echt gaan,’ zei juffrouw Annette gehaast. Ze maakte aanstalten om naar de deur te lopen.

‘Waarom zo snel,’ antwoordde Anton Bruckner. ‘U bent hier nog maar net.’ Hij liep naar haar toe en nam haar bij de arm. ‘U bent toch niet boos? Ik bedoel het is maar een spel.’ Plotseling voelde juffrouw Annette medelijden met haar gastheer. Ze keek in zijn rode bezwete gelaat. Van binnen moest ze ook lachen omdat hij daar stond met een onderbroekje in zijn hand waarmee hij herhaaldelijk het zweet van zijn voorhoofd veegde. Waarom misgunde zij hem zo’n onschuldig pretje, bedacht ze zich. Zou ze toch nog even blijven en één van de jurkjes voor hem aantrekken? Hoe lang was het alweer geleden dat ze een man als Bruckner buiten zinnen had gekregen? ‘Weet u wat,’ zei Bruckner plotseling heel gedecideerd. Ik nodig u uit om morgenmiddag de opening van de Mariafeesten in Mozestown bij te wonen. Ik heb nog een extra kaartje. Ik smeek het u. Gaat u alstublieft met mij mee.’ Bruckner keek haar hoopvol aan. Het zweet gutste nu van zijn gelaat. Van het onderbroekje had hij een propje gemaakt dat hij nu knedend van de ene hand naar de andere liet gaan. ‘Ik kan u verzekeren dat wij een ereplaatsje hebben.’ Juffrouw Annette leek te twijfelen. Vol medelijden keek ze naar de grote kleine man van de zesde etage. Hij stond als een verlegen schooljongen voor haar. Wat zou ze doen? Ze was morgen vrij, de wasserette zou op de eerste dag van de Mariafeesten gesloten zijn. Dus enig vertier kon geen kwaad. Maar moest dat met deze merkwaardige man? Voor een moment schoot haar het figuur van de donkere man van nummer 111 haar voor de geest, Otis Redding. Wat zou ze graag met hem iets ondernemen. Of met de sympathieke roodharige schilder meneer Van Gogh van 704, die haar hier naar de arti had gebracht. Ze vond hem een aardige man. Iemand waar ze het absoluut goed mee zou kunnen vinden.

Natuurlijk, zij had het vernomen. Het beloofde wat. Een ieder sprak er over. Het openingsconcert in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Er zouden ook artibewoners optreden. Ze had het gelezen. Meester Bach van 901, Franz Schubert van 804 met de zangeres Maria Callas van 302. En ook zouden de Dames van de Derde optreden. Wat leek het haar leuk om dit koortje eens te horen. Er gingen zelfs geruchten dat de heilige maagd aanwezig zou zijn. Wie zou dit niet mee willen maken? En daar zou juffrouw Annette, een purgatijn, getuige van kunnen zijn? Moest ze deze kans voorbij laten gaan? Ze keek in het vragende gezicht van Bruckner. De man moest wel in een hoog aanzien staan dat hij in bezit was van twee toegangsbewijzen. Voor gewone zielen waren de toegangskaarten onbetaalbaar. Louter hooggeplaatste zielen zouden de kathedraal in Voorstad Sint-Jacoba bevolken.

‘Goed,’ zei juffrouw Annette tenslotte. ‘Komt u mij morgenmiddag in de wasserette ophalen.’ Toen ze even later het trappenhuis naar beneden liep ontdekte juffrouw Annette in haar jaszak een enveloppe. Met vriendelijke groet, Anton, stond er in keurig recht handschrift. Even later op haar kamertje trof ze maar liefst vijf briefjes van honderd zilverlingen in de enveloppe. Een tijdlang bleef ze naar het geld staren. Toen fluisterde ze: ‘Een horloge, eindelijk een horloge.’