Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

33 In de lift gebraakt

Sjors had in de lift gebraakt. Ze waren zojuist de lift binnengestapt, de zieke Dmitri Sjostakovitsj, Marie Monroe en Frank Zappa. Het was half zeven in de avond.

´Ik bied u mijn oprechte verontschuldigingen aan,´ kermde de ongelukkige componist, terwijl hij naar de roze prak op de vloer staarde. Zappa probeerde zijn gezicht af te wenden. Zijn ogen bleven rusten op het witte plooirokje van juffrouw Monroe. Hij fantaseerde over de kleur en stof van haar slipje. Maar ondanks deze lieflijke gedachten moest hij bijna ook braken.

´Ik ga b-bijna over m’n nek, ´zei juffrouw Monroe. Ze trok een vies gezicht. En toen ze zag dat ook zijn aktetasje besmeurd was, stotterde ze tegen de componist: ´U heeft ook over uw t-tas gekotst.´

´Wat een toestand,´ antwoordde deze hoofdschuddend. Dat Sjostakovitsj zich ongemakkelijk voelde was goed te zien. Hij veegde met zijn mouw zijn aktetasje schoon en vervolgens zijn mouw aan zijn broek. De liftdeur klapte dicht. De kleine ruimte was nu geheel gevuld met een zure lucht.

´Waar moet u er uit?´ vroeg Frank met zijn vinger bij de knoppen.

´Op z-zeven,´ antwoordde juffrouw Monroe. Sjostakovitsj knikte. Hij keek Frank een beetje glazig aan. Hij had de man hier niet eerder gezien. ´Ik woon op 701,´ zei hij. Ondanks zijn toestand klonk er in zijn woorden een zekere trots. Vanaf het moment dat de lift zich in beweging zette, werd er niet meer gesproken. Sjostakovitsj staarde naar de vloer en Frank Zappa naar het witte plooirokje. Juffrouw Monroe hield haar ogen gesloten. Op de zevende aangekomen haalden alle drie opgelucht adem. ´We zijn er,´ zuchtte juffrouw Monroe.’ Ze maakte een wegwerp gebaar en gooide de liftdeur met een smak dicht.

´Kom,´ zei Sjostakovitsj, terwijl ze de galerij opliepen, ´dan bied ik u iets te drinken aan.´

´D-die is gek,´ zei juffrouw Monroe tegen Frank Zappa. ´Wij brengen u tot aan de d-deur en dan moet u het zelf verder maar uitzoeken,´ zei ze streng. ´Maar als ik u was zou ik m-maar mooi slapie slapie gaan doen.´ Sjostakovitsj haalde zijn schouders op. ‘Het wordt niks, het wordt niks,’ kermde hij plotseling. ‘Wat wordt er niks?’ wilde juffrouw Monroe weten.

‘Mijn symfonie, mijn Welkomstsymfonie.’

‘U moet ook niet zoveel d-drinken.’

‘ Wie bent U?’ Hij wende zich nu tot Frank.

‘Mijn naam is Zappa, Frank Zappa.’ Ik ben hier nieuw.

‘Welkom aan boord, lieve jongen.’ Hij opende de deur van zijn appartement. ´Nogmaals mijn excuses,´ riep hij het tweetal na toen ze terug naar de lift liepen. De lift liet op zich wachten.Ongeduldig klopte juffrouw Monroe op de deur.

‘God, wat duurt dat lang. Het lijkt wel of ze de b-bijbel aan het lezen zijn’, zei ze. ‘Laten we de trap nemen,´ stelde ze voor. Zonder Zappa’s antwoord af te wachten opende ze de deur naar het trap­penhuis. Ze liepen naar beneden. Frank als eerste, Marie een paar treden boven hem. ´Hier woont de K-king,´ zei Marie Monroe toen ze op de vijfde waren.

´U bedoelt Elvis Presley?´ vroeg Frank verwonderd.

´Ja, op 501. Naast Charlie.´

´Charlie wie?´

´Charlie Chaplin. Een te gekke k-kerel.´ Ze liepen door naar de vierde. ´Goed voor de lijn dat t-trappen lopen,´ zei juffrouw Monroe.

´En welke grootheden wonen er op vier?´

´Op 401 de zwarte t-trompetspeler, Louis Armstrong en naast hem op 402 de nieuweling John Lennon. En op 403…´ Ze aarzelde. ´Ik geloof één of andere k-kunstschilder. En voor de rest weet ik het niet meer. Ik heb vandaag ook al een p-paar n-neutjes op. Normaal kan ik alle n-namen van de etages opdreunen. Ooit heb ik ze in mijn hoofd gestampt, zoals vroeger op school de t-tafels.’ Ze passeerden de derde etage. Frank durfde niets meer te vragen. Het werd hem een beetje te veel. John Lennon, Charlie Chaplin, Elvis… Juffrouw Monroe trippelde door. Bij de eerste verdieping aangekomen zei ze hijgend:

´En hier woont mijn p-persoontje.´ Ze stonden even stil. Hoopvol keek Frank haar aan. Zou ze hem uitnodigen? Zal ik hem vragen voor een kopje koffie, dacht juffrouw Monroe. Ze keek hem glimlachend aan, een beetje verleidelijk zelfs. Frank glimlachte terug. Hij pakte haar hand. Marie Monroe kleurde als een schoolmeisje. ´Kom, laten we nog een afzakkertje b-bij de Nadorst gaan halen,´ zei ze.

´Ja, dat is goed,´ zei Frank niet al te overtuigend. Hij liet haar hand los. Toen ze zich weer in de hal op de begane grond bevonden, stonden Wolf von Goethe van 902 en huismeester Gerrit Smit bij de liftingang. De liftdeur stond open. Lodewijk het witte hondje was de enige aanwezige in de lift. Hij besnuffelde de vloer.

´Wat voor soort mensen hier tegenwoordig komt wonen weet ik niet,´ riep Wolf von Goethe met luide stem. ´Veel soeps kan het niet zijn.´ De huismeester knikte.

´Is er iets heren?´ vroeg juffrouw Monroe.

´Kijkt u maar,´ zei de huismeester. Hij wees in de lift.

´G-gedverdemme!!´ riep ze overdreven. ´Wie flikt nou zoiets?´ Ze deed demonstratief een stap achteruit.

´Als we dat wisten, stonden we hier niet,´ zuchtte de huismeester. Wolf von Goethe keek de twee minachtend aan. Daar staat het soort dat hier de sfeer vergalt, was er in zijn ogen te lezen. Toen wendde hij zich wederom tot de huismeester en commandeerde: ´Ik reken er op dat de lift over een uurtje gereinigd is!´ En zonder verder iemand aan te kijken verdween hij door de hoofdin­gang. De huismeester schudde mistroostig zijn hoofd en slenterde naar het bezemhok.

´Het wordt met de dag gekker,´ mopperde Gerrit Smit, terwijl hij een emmer met water vulde. ´Er wordt je hier geen rust gegund. Zelfs in de avonduren ben je nog bezig. Omdat er zo nodig één of andere gek zijn gal wilde spuwen. En juist in de lift. Waarom niet buiten? Zoiets voel je toch aankomen! Klaar ben je met dat ongespuis!´ De huismeester liep naar de lift en opende de deur. ´Behhh,´ riep hij ergerlijk. ´Wat een stank! Als er een greintje fatsoen in je zit, ruim je dat toch zelf op en laat je dat niet een medebewoner doen.´ Hij mopperde tegen Lodewijk zijn hondje, dat languit op de marmeren ­vloer in de hal lag. Enige tijd staarde Gerrit Smit naar de roze plak in de lift. Toen slaakte hij een diepe zucht en stroop­te zijn mouwen op. Daarna bond hij de dweil onder de bezem en doopte deze in de emmer. Vol afgrijzen deed hij zijn werk. Here-me-ziele, wat had hij de pest aan dit soort klusjes. Het deed hem denken aan de aardkloot, waar hij loodgieter geweest was en bij tijd en wijlen ook van die klote klusjes had moeten opknappen, zoals het schoonmaken van ver­stopte wc’s en het doorsteken van rioolbuizen. Hoe vaak had hij niet tot aan zijn ellebogen in andermans stront zitten te roeren.

Huismeester Smit schrok op uit zijn gepeins door een heftig gebonk van boven. Hij keek omhoog. Het kwam van de vierde of vijfde. ´Buiten gebruik!!!´ riep hij zo luid als hij kon. Lodewijk maakte van schrik een luchtsprong en begon vervolgens als een bezetene zijn baas uit te keffen. ´Houd jij ook je smoel!´ schold de huismeester geïrriteerd.