Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

93 Janis en Amy

Ze zaten op een bankje in het bruidsboeket, Janis van 105 en de nieuwe bewoonster Amy van 107. Ze rookten een sigaret. Ze hadden uitzicht op de flat. Bij aankomst had Janis Amy geholpen met het inruimen van haar flatje. Het had direct geklikt tussen de twee. Het leek alsof ze elkaar al jaren kenden. Nu zaten ze te genieten van de bloemenpracht om hen heen. Het viel Amy op dat ze niet één bloem herkende, niet bij naam kon noemen. Nergens een roos, tulp, narcis, viool. Maar het waren mooie bloemen, hemelse bloemen zullen het geweest zijn. Ook het weer werkte mee. De lucht was blauw, de zon scheen zacht en er woei een aangenaam briesje. Alles leek er op dat het een mooie dag zou worden. Tot nu toe had Amy Winehouse het naar haar zin in het hiernamaals.

‘Het is hier altijd mooi weer,’ zuchtte Janis, alsof ze Amy’s gedachten kon lezen. ‘Nooit eens een regenbui of een stevige wind, nooit een vlokje sneeuw of korreltje hagel.’ Op het woordje hagel mikte ze haar peuk in een van de bloemenperken. Janis had Amy zojuist een kleine rondleiding gegeven langs de onderste etages van de arti. Ze had versteld gestaan van de namen van de bewoners. Velen klonken haar als muziek in de oren. Speciaal Billie Holliday, daar was ze een groot fan van geweest. Billie woonde op de tweede verdieping, vlak boven haar. Nooit had ze zo dicht bij een idool gewoond. Janis had verteld dat de jazzmuzikanten Miles Davis en Chet Baker ook bewoners van de arti waren. Chet was zelfs een van haar naaste buren. Met een zekere bewondering staarde Amy naar de artiflat. Ze kon het eigenlijk nauwelijks bevatten dat ze hier naast Janis Joplin op een bankje zat en in hetzelfde huis woonde als Jimi Hendrix, Billie Holiday, Bessie Smith, John Lennon, Elvis… Ze hadden ook voor huisje 202 van Jimi gestaan.

‘Jezus, woont Jimi hier ook?’ had Amy verwonderd uitgeroepen. ‘Daar heb jij nog mee opgetreden op het Woodstockfestival. Tjeeminee, wat ben ik trots op jou!’ Ze gaf haar een vriendschappelijk kneepje in de bovenarm. Maar Janis kon het zich niet meer herinneren.

‘Mijn geheugen heeft me in de steek gelaten,’ klaagde ze. ‘Van vroeger weet ik geen reet meer.’ Sorry,’ verontschuldigde ze zich. Amy sloeg vriendschappelijk een arm om haar heen en begon te vertellen. En zo geschiedde het dat Amy Winehouse die middag op een bankje in het bruidsboeket, het mini plantsoen tegenover de artiflat, aan Janis Joplin vertelde hoe zij na haar heengaan een wereldster was geworden.

‘Ik heb Pearl helemaal kapot gedraaid,’ deed ze Janis doen geloven. En iedereen op de aardkloot kent jouw Bobby McGee. Er viel een stilte. ‘Is er wat?’ vroeg Amy. Ze probeerde haar nieuwe vriendin aan te kijken. Deze had haar hoofd naar beneden gebogen, het leek alsof ze droevig was. Toen zag ze haar tranen.

‘Het is niets,’ zei ze sniffelend. Hoe kun je in de hemel nou droevig zijn, dacht Amy, maar ze begreep wat er gaande was, het waren vreugdetranen, misschien wel tranen van trots. En ze pakte haar nog steviger vast.

‘Je bent hartstikke beroemd beneden,’ zei ze. Even later liepen de twee hand in hand over de Boulevard Antonius. Amy neuriede al geruime tijd een liedje, een liedje van Billie Holiday maar ze kon er niet opkomen wat de titel was. Ze zouden zo direct ergens een kopje thee gaan drinken.

‘Het stikt hier van de tentjes,’ zei Janis, doelend op de kleine kiosken langs de boulevard. Beiden droegen een jurk met bloemmotieven, Janis een zwarte met rode en Amy een witte met allerlei. De jurk van Amy was van Janis. Deze had beloofd dat ze eerdaags zouden gaan shoppen in Sint-Petrusburg om kleren voor Amy te kopen. Hier in Johannesburg verkopen ze alleen maar vodden, had Janis laten weten. Nu praatten de dames honderduit. Amy vertelde haar vriendin over het wel en wee op het aardse. Zwaar klote werd alles. Moord en doodslag. Over hoe schutters scholen binnendrongen en kinderen doodschoten. Over terreuraanslagen. Over autobommen en bomgordels. Over milieuverontreiniging. Over de waterspiegel. Ze moest wel van alles uitleggen, ze had het idee dat Janis niets meer wist van aardse zaken. Ze legde uit wat een autobom was, een bomgordel, de waterspiegel, een kernreactor … Plotseling hield Amy halt.

‘Frank Sinatra,’ riep ze. Janis keek Amy niet begrijpend aan. ‘Ik ben met Frank Sinatra naar de arti gekomen. Ik wist dat ik hem ergens van kende maar kon niet op zijn naam komen. Ik heb me suf geprakkiseerd. Maar nu weet ik het weer. Je zult ook van hem gehoord hebben.‘ Janis haalde haar schouders op. Ze had nooit van de man gehoord. Ze liepen verder. Even later passeerden ze de Antoniuskapel, en voordat ze het wisten waren ze bijna halverwege de boulevard. En weer hield Amy plotseling halt. ‘God bless the child,’ riep ze.

‘God wie?’ vroeg Janis verwonderd.

‘God bless the child! Dat nummer zit de hele tijd al in m’n oor. Billie Holiday, weet je wel.’ Ze liepen verder. De thee waren ze blijkbaar vergeten. Janis was nu aan het woord. Ze roddelde over artibewoners.

‘De huismeester is een lul,’ liet ze Amy weten. ‘Maar het is handig als je ’s avonds laat merkt dat je sigaretten op zijn of dat je geen drank meer in huis hebt. Ze waarschuwde Amy voor Pablo van 801. ‘Een hoge piet maar zo geil als boter. Hij heeft de gewoonte om met elke nieuwe bewoonster direct het bed in te duiken.’ Ook de meisjes Fannie en Nannie van de derde moesten het ontgelden. Janis had haar bedenkingen over de twee. ‘Die twee doen het volgens mij ook met elkaar.’ Verder roddelde ze over de homoseksuelen Wigbert, de barkeeper, wat overigens een toffe peer was, en nichtje Freddie Queen.

‘Freddie wie,‘ vroeg Amy nieuwsgierig.

‘Freddie Queen. Hij is je buurman.’ Ze rustten uit op de trappen van de Koninkrijkzaal op het Plein van de Hemelse Vrede. Amy dacht na wie die Freddie Queen wel kon zijn. Zijn naam klonk haar bekend in de oren. Ze waren zojuist rond een beeldhouwwerk gelopen dat pal voor de Koninkrijkzaal stond. Het was een beeld van artibewoonster Camille Claudel. JOHANNES DE APOSTEL DIE JEZUS LIEFHAD, stond er onderaan. De twee wandelaars waren er laatdunkend en schouderophalend omheen gelopen. Het was duidelijk hun ding niet. ‘Ruik jij wat ik ruik, ‘ vroeg Janis plotseling nadat ze het Plein van de Hemelse Vrede achter zich hadden gelaten en aan het tweede stuk van de boulevard waren begonnen.

‘Yes!’

‘Wiet!’ Ze gaven elkaar een high five. Als kleine kinderen huppelden ze naar de kiosk waarop met grote letters stond WALHALLAH. Blowend, giechelend en kwebbelend, de armen om elkaar heen geslagen, vervolgden ze tien minuten later hun weg.

‘Kijk kermis,’ zei Amy.

‘Het stijgt je naar je hoofd,’ antwoordde Janis lachend en ze dacht, wat was dat ook al weer, kermis.

‘Kijk maar, daar. Amy wees voor zich uit. Hoog boven de bomen stak inderdaad het geraamte van een reuzenrad in de lucht.