Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

31 La Dietrich

Mevrouw Dietrich van 107 was in het hiernamaals neergestreken in het jaar 1992 na de geboorte van onze Heiland. Zo op het eerste gezicht leek zij een hooghartige dame, doch als je haar beter leerde kennen kon ze uiterst charmant zijn en, misschien wel belangrijker, zeer sociaal en behulpzaam! Het eigenaardige van deze hoogbejaarde dame -ze was de negentig reeds gepasseerd- was dat ze zich doorgaans in mannenkleren hulde. Hoge hoeden, lange broeken en driedelige herenkostuums hadden haar voorkeur. Voor een dame in het hiernamaals een absoluut ongebruikelijke outfit. Verwonderlijk was het dan ook niet dat mevrouw Dietrich door verschillende medebewoners met verwondering werd gadegeslagen.

Maar ook gewoon als vrouw wekte ze de aandacht. Op bijzondere dagen – in het hiernamaals barstte het van de feest- en hoogtijdagen – wandelde ze graag in lange rokken met aan één kant een reuze split, zodat een deel van haar kousenband zichtbaar was, terwijl haar gezicht bedekt was met sluiers of gaas. Een paar maanden geleden was ze doodleuk in een doorkijkbloes café de Nadorst binnen komen wandelen. Wigbert de barkeeper en kunstschilder Picasso hadden haar een compliment gegeven. Maar het merendeel van de bezoekers spraken er schande van. Nog erger werd het toen zij die avond, vlak voor sluitingstijd op de bar was gaan staan, sensueel met haar heupen had gewiegd en een opmerkelijk lied had gezongen Ik ben wulpse Lola, het liefje van elke man…

Een zeer merkwaardige tante, karakteriseerde een medebewoner haar eens. En zo was het ook. Want liep ze er de ene dag bij als een manwijf, de andere dag kon je haar zien lopen in een bloemetjes jurk met een hoofddoekje om. Je had dan meer de indruk met een schoonmaakster te doen te hebben dan met La Dietrich zoals ze door sommige medebewoners werd genoemd.

Boze tongen beweerden dat mevrouw Dietrich een verschoppeling uit het purgatorium zou zijn geweest, maar zeker weten deed niemand dat. Men hield daarom wijselijk zijn mond. Bovendien had ze zich op de arti een bepaalde positie verworven en ging zij om met de elite van de flat. Men was voorzichtig met de dame van de eerste etage. Een aanvaring met haar kon nadelige gevolgen hebben. Je kon dat navragen aan Herr von Karajan van nummer 110.

In haar hart had Marlene Dietrich het nooit kunnen verkroppen dat de Heiland haar een plaatsje op de eerste had toebedeeld. Ze had zichzelf hoger ingeschat. Was ze op het aardse niet een diva geweest, een topactrice, de heldin van het witte doek? Had ze niet met haar bloedeigen zuster gebroken omdat deze Hitler gezind zou zijn geweest? En had ze haar vaderland Duitsland niet de rug toegekeerd tijdens het naziregime? Maar spoedig had ze het vermoeden dat haar op de artiflat een speciale taak was toebedeeld. Een boodschap van de Heer zelf. Zij had het gevoel dat Hij van haar verlangde dat zij een oogje in het zeil zou houden. Met dit vermoeden deed mevrouw Dietrich zeer haar best. Niets leek haar te veel. Stond zij het ene moment de eerste galerij te boenen, de ramen van haar buurtjes te poetsen, een goed gesprek te hebben met iemand die het in het hiernamaals even niet meer zag zitten, het andere moment was ze een welwillend en hartstochtelijk bedgenoot van bewoners van hoger gelegen etages.

Een feit was dat vrijwel alle bewoners van de eerste sympathie voor haar hadden, met uitzondering van de eerder genoemde Herr von Karajan van 110. Hoe vaak had ze hem niet in het bijzijn van medebewoners voor schut gezet door hem de Hitlergroet te brengen en hem voor SS’er uit te schelden. Maar, ook Otis Redding, de jonge negerzanger van het hoekappartement 111 ging haar min of meer uit de weg, maar dit had een geheel andere reden. Al was hij haar dankbaar voor het regelen van zijn gitaar.

Voor weinigen was het een verrassing dat Marlene werd aangesteld als blokhoofd van de eerste etage. Automatisch zat ze daarmee in het dagelijks bestuur van de flat. Intussen koesterde ze een stille hoop dat de Heiland haar op een dag zou belonen voor haar goede daden en haar één of meer verdiepingen zou promoveren. Ze wist dat er op de vijfde etage al geruime tijd een appartement tijd leeg stond. Stel je toch eens voor dat ze daar zou komen te wonen. Zo af en toe nam ze de lift naar de vijfde en stond door de ramen te turen van 504 en fantaseerde reeds over de inrichting van deze reuze flat.

Maar zo ver was het nog niet. Ze moest eerst nog met zichzelf in het reine komen. Niet voor niets had ze geruime tijd in het purgatorium vertoefd. Een vernederende periode die zij zo snel mogelijk wilde vergeten. Na haar vrijlating had ze kaalgeschoren en in een donkerblauw werkmanpak mensonterend werk moeten doen, eerst als straatveegster bij de gemeentereiniging in Mozestown en later als poetsvrouw in de Dom van Sint-Petrusburg. Maar zij had dit alles als martelares doorstaan. Het was tenslotte Gods wil geweest. Soms vroeg ze zich af waar zij de goedertierenheid aan te danken had en waarom zij niet direct het hellevuur was in geknikkerd. Natuurlijk, zij was gedoopt geweest en dat scheelde een slok op een borrel. Bovendien was haar echte voornaam Maria Magdalena, dezelfde naam als de vriendin van Jezus, dus christelijker kon het niet. Op het aardse was zij zeer vermogend geweest en zover zij zich kon herinneren had menigeen daarvan een graantje mee gepikt. Goede doelen hadden altijd een beroep op haar kunnen doen. Of het nu het kankerfonds was of de plaatselijke brassband, niemand vertrok met lege handen. Dan was daar ook nog haar openlijke antipathie tegen Adolf Hitler en zijn schorem geweest. Stuk voor stuk zaken die toch voor haar pleitten.

Ondanks deze positieve kanten waren er tijdens haar proces ook negatieve naar boven gekomen. Zij was op het aardse behoorlijk te keer gegaan, zeg maar gerust dat ze de beest had uitgehangen. Behalve in films, waar ze vaak als meisje van lichte zeden had opgetreden, had ze zich buiten de sets eveneens als manvrouw gedragen. Ze was intiem geweest met zowel mannen als vrouwen. Doorgaans had ze een peloton minnaars bij haar in de buurt. Ook was ze een regelmatig bezoekster van lesbische bars en travestieten clubs. Ik vrij met iedereen die ik aantrekkelijk vind, was een bekende uitspraak van haar. Soms leek het dat ze dit in het hiernamaals wilde voortzetten.