Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

52 Maandelijks ongemak

Om half twaalf die avond verliet Wolf von Goethe de Nadorst. ­Hij was blij dat hij weer buiten stond. De hele avond in een kroeg rondhangen was niets voor hem. Hij keek op zijn horloge. Twee uur had hij er doorgebracht. Zonde van de tijd! Natuur­lijk, hij was in goed gezel­schap geweest. De heren Bach en Händel waren uitstekende gesprekspartners en geen kleine jongens, evenmin als Amadeo Mozart, al kwam deze wat kinderlijk over. Maar wat had er ook een schorriemorrie gezeten. Sodeju, wat hij zich geërgerd aan figuren als het blonde delletje van de eerste etage. Hij wist zo één-twee-drie niet eens haar naam… ach ja, Monroe, Marie Monroe. Een onmogelijke naam. Hij kreeg het haast niet uit zijn strot. En dan dat heerschap met snor en sikje dat naast haar had gezeten en zo nodig in het bijzijn van een ieder constant met zijn fikken aan haar moest zitten. Had Wigbert de barkeeper daar niet iets van kunnen zeggen? Wat een onfatsoenlijke hufter had hij hem gevonden. Maar beste Wolf, sprak hij zichzelf nu toe, je bent toch niet jaloers op dat kereltje? Een paar uur eerder had hij de man al bij de lift gezien. Dat was op het moment dat hij Gerrit Smit de huismeester opdracht had gegeven de lift te reinigen omdat ander schorem er in gebraakt had. Wat had hij zich vanavond ook geërgerd aan madame Dietrich, die dronken het café was binnengestapt en zich zo nodig moest laten gelden door haar ordinaire bek open te trekken en allerlei onzin uit te kramen. En dan ook nog dat geile homokereltje, dat achteraf een vriendje van haar bleek te zijn. Nee, wat dat aanging had hij vanavond niet veel plezier gehad aan zijn bezoek aan de Nadorst.

Gulzig zoog hij nu de avond­lucht in zijn longen. Daar knapt een mens van op, mompelde hij terwijl hij een sigaret opstak. Het was een prachtige avond. Hij keek naar boven, naar de inktzwarte lucht met zijn ontelbare sterren. Eén van deze sterren was het aardrijk, stelde hij vast. Hij maakte van zijn hand een kijker en tuurde naar de zwarte oneindigheid. Hoe had de schepper dit alles toch geflikt! Hij schudde zijn hoofd en bleef voor een moment onbewogen staan. Eigenlijk had hij nog geen zin om naar huis te gaan. Waarom nog niet even een blokje om? Hij voegde de daad bij het woord en stak het pleintje over en volgde het grind­pad dat zich slingerend richting het bruidsboeket bewoog. Achter hem lag nu de artiflat. Goethe bleef even staan. In vrijwel alle tweeënzeventig appartementen brandde nog licht. Ze doen maar, mompelde hij. Met de handen diep in de zakken slenterde hij vervolgens naar de Boulevard Antonius richting centrum.

Ondanks het late tijdstip was het opvallend druk. Groepjes kwebbelende burgerzielen kwamen hem voorbij en liepen hem tegemoet. Zo te horen werd er flink gediscussieerd. Ach ja, voldoende stof om over te praten, sprak Wolf in zichzelf. Morgen zouden de Mariafeesten plaatsvinden. En dan had je natuurlijk ook nog de geruchten rondom de Dag des Heren. Geruchten die op dit moment zo hevig waren dat men er bijna van uitging dat de Heiland ieder moment zou kunnen verschijnen. Wolf vond het allemaal wel goed. Als ze hem maar met rust lieten. Weinig kans trouwens dat je hem morgenmiddag bij het concert in de Onze-Lieve-Vrouwekerk zou aantreffen. Zijn toegangsbewijs had hij aan doctor Anton Brucker van 601 gegeven, een man die zweerde bij Maria, God en orgelklanken. Wolf von Goethe ging liever iets anders doen, de slang nemen naar Sint-Petrusburg bijvoorbeeld. Zich laten opnemen in de massa.

Op het bankje aan de rand van het bruidsboeket, in de volledige duisternis rustte hij even uit. Hoe snoof de bloemengeur op. Onbekenden passeerden hem. Soms werd hij gegroet. Goethe stak een nieuwe sigaret op. Hij merkte dat zijn handen beefden. Hij had zich trouwens de hele avond al een beetje vreemd gevoeld. Het was een bekend gevoel. Het overviel hem zo’n één keer in de maand. Hij noemde het zijn maandelijkse ongemak. De oorzaak zat hem in de vrouwtjes. Deze zieltjes  bezorgden hem om de zoveel tijd een haast ontembare geslachtsdrift. Hij had nu wel een grote mond over dat vrouwtje Monroe gehad, maar het meisje kon hem botergeil maken. Eerlijk is eerlijk, verschillende keren had hij haar richting uit gekeken. Hij had gekeken naar haar borsten en gehoopt op een blik tussen haar benen. Maar ja, het was zijn soort nu eenmaal niet. Afblijven dus. Vrouwtjes als Monroe kwam je genoeg tegen in de steegjes rondom de molen in het centrum van Sint-Petrusburg. Dus als hij perse iets wilde kon hij daar naar toe. Wie weet zou hij morgen gaan. Hij had zin, erg veel zin.

En dan was daar nog mevrouw Alma Mahler geweest, een prachtige vrouw en volgens hem ook goed bij de pinken. Een vrouw die absoluut bij hem zou passen. Al geruime tijd had hij een oogje op haar. Hij had echter nog niet de moed gehad om haar eens aan te spreken en haar bijvoorbeeld voor een kopje thee uit te nodigen of voor een wandeling door het heuvelland achter de arti. Nu zat ze in de Nadorst tegenover de grote versierder van nummer 801, de kunstschilder Picasso. Goethe baalde. Waarom had hij deze avond met een stel kerels doorgebracht, in­ plaats van met een mooie vrouw?

Hij dacht terug aan zijn liefdesleven op aarde. Aan de tijd dat hij zich als jongeman van amper zestien vrijwel iedere avond in het uitgaansleven had gestort en als een volwassen man achter de meisjes had aangezeten. Hoeveel vrouwen had hij wel niet bemind? In gedachten probeerde hij ze voor de geest te halen: Lieve kleine Kätchen, Friederi­ke, zijn liefste Lotte, Lili, Charlotte, zijn vrouw Christianne, Minna, Marianne, Ulri­ke… Er verscheen een tevreden trek om zijn mond. Ja, wat dat aanging had hij het op de aardkloot naar zijn zin gehad.

‘Lieve kleine Kätchen,’ zei hij plotseling hardop, zodat hij er zelf van schrok. In gedachten zag hij het kleine blonde meisje druk in de weer in de herberg van haar vader. Hoe dikwijls had zij hem niet tijdens het opdienen van de maaltijd zogenaamd per ongeluk aangeraakt. Hoe mooi was haar lach, hoe klein haar borstjes, hoe teder haar kusjes. Tranen biggelden over zijn wangen. ‘Lieve kleine Kätchen,’ riep hij weer. Wat nu, vroeg hij zich af, ga ik hier een potje zitten grienen?

Resoluut stond hij op. Maar na een paar stappen was daar een ander bankje. Vermoeid nam hij wederom plaats en stak weer een sigaret op. Stapelgek was hij ook op Lili geweest, de zestienjarige beeldschone blondine, het meisje waar hij zich zelfs mee verloofd had. Wat had hij een plezier met haar beleefd. Wat had ze hem met haar ontembare hartstocht gek weten te maken. Goethe rilde. Het leek alsof hij haar nageltjes weer in zijn rug voelde, haar tongetje in zijn nek. Hij had nooit een andere vrouw meegemaakt zoals zij. Wat een warmbloedig kind was zij geweest.

Von Goethe had altijd iets gehad met jonge meisjes. Hij was reeds bejaard toen hij de zeventienjarige Ulrike het hof maakte. Hoe vrolijk, hoe opgewonden had het lieve kindje hem weten te krijgen. Wat een geluk had hij gekend als Ulrike voor hem op zijn schrijftafel zat en hem overlaadde met kneepjes en kusjes. Niks geen grootvadergevoel, bij haar had hij zich een jonge kerel gevoeld. Was het in de wereldgeschiedenis eerder voorgekomen, had hij zich dikwijls afgevraagd, dat een tweeënzeventigjarige man het met een meisje van zeventien hield?

Maar wat had hij vanavond toch. Wat was er met hem aan de hand. Waarom was hij zo sentimenteel? Waarom marcheerden zijn meisjes vanavond allemaal voorbij? Hij schudde zijn hoofd en wierp met een wild gebaar zijn sigaret in de struiken. Niet meer aan denken, mompelde hij, terwijl hij moeizaam opstond. Hij snoot zijn neus en droogde zijn tranen. Hij had nog steeds geen zin om naar huis te gaan. Maar waar moest hij naar toe op dit uur? Wachtte er thuis nu maar een gewillig vrouw­tje op hem. Een vrouwtje die hem zijn lusten kon bevredigen, een vrouwtje gelijk aan Kätchen, Lili of Ulrike…

Het werd hoog tijd voor een bezoek aan Sint-Petrusburg bedacht hij zich terwijl hij aan zijn geslacht voelde. Ja dat zou hij doen, besliste hij op dat moment. Hij zou morgen een bezoek brengen aan de meisjes achter de rode molen. Hij zuchtte diep, duwde zijn lid in een goede positie en wandelde op zijn dooie akkertje richting arti. Daar aangekomen bespeurde hij nog volop roerigheid. Het café was zo te zien nog aardig vol. Men was natuurlijk in de ban van de aankomende feestelijkheden rond Maria en de komst van haar zoon in Johannesburg. In ieder geval had men stof genoeg om te ouwehoeren en rondjes uit te delen. Hij vond het allemaal best. Goethe nam plaats op een bankje op het terras achter de flat onder een olijfboom. Vermoeid stak hij voor de zoveelste keer die avond een sigaret in de brand, keek omhoog en links en rechts opzij, en bromde: ‘Als een dief in de nacht.’