Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

36 Monroe & Zappa

‘En?’ vroeg Wig.

‘Als het goed is ligt-ie onder de w-wol, antwoordde juffrouw Monroe.

‘Hij kan niet zo goed tegen zoveel biertjes,’ zei Wig. Hij schudde met zijn hoofd. Juffrouw Monroe hees zich op de kruk naast Vincent van Gogh. Daarna klapte ze een paar keer met haar vlakke hand op het rode leer van de lege barkruk naast haar en gaf Frank Zappa een knikje om daar te gaan zitten.

‘K-kom lekker bij me zitten,’ fluisterde ze.

‘Wat u wenst, mooie vrouw,’ fluisterde hij terug. Een warm gevoel bekroop hem, of liever, een geil gevoel. Toen hij op zijn kruk klom streelde hij de zijkant van haar borst. Ze beantwoordde zijn aanraking met een knipoog. Picasso, die even verderop zat, stak zijn duim omhoog naar Frank. ‘Hoog b-bezoek vandaag,’ zei juffrouw Monroe tegen Wig. Deze knikte. Ze keken richting biljart. Aan het tafeltje van meneer J.S. en Frederik Händel had de oude heer Wolf von Goethe van nummer 902 plaatsgenomen. Gedrieën volgden ze de bil­jartver­richtingen van Amadeo van 904. De ballenjongen, een bijnaam die hij te danken had aan zijn liefde voor het biljartspel en het kegelen, moet ooit een belangrijk persoon geweest zijn. Je hebt niet zomaar een penthouse op de artiflat verdiend. Daar hoort een kaartje aan te hangen. Het gebeurde niet veel, maar het merendeel van de bovenste etage, de crème de la crème van de arti zat op dit moment in de Nadorst. Alleen meneer Ludwig ontbrak, maar die zag je nooit in het café, die zocht meestal zijn heil in de vrije natuur, in het wijde heuvelland achter de flat. Van Gogh zat met gebogen hoofd in zijn glas te turen. Het was zijn zesde glas. Behalve het kreukeltje in zijn ene oor, dat was wit gebleven, had hij een kleur tot diep in zijn nek.

‘Hij heeft in d-de lift gekotst, zei juffrouw Monroe, terwijl ze een sigaret opstak. Wig bestudeerde haar borsten.

‘Wie heeft er in de lift gekotst?’ wilde Picasso weten.

‘Sjors,’ antwoordde juffrouw Monroe.

Picasso schoot in de lach. ‘Dat zal Smit leuk vinden,’ zei hij.

‘Volgens mij is de heer Sjostakovitsj de laatste tijd een beetje in de war,’ zei Van Gogh met dubbele tong, nadat hij zich moeizaam had opgericht.

‘Wat heet een b-beetje,’ antwoordde juffrouw Monroe. Ze keek in de wateri­ge ogen van haar buurman. Die heeft hem ook al flink zitten, dacht ze bij zich zelf. Frank zweeg. Hij staarde naar de knieën van zijn buurvrouw.

‘Droom je?’ vroeg juffrouw Monroe plotseling.

‘Nee, nee, nee,’ lachte hij. Hij aaide over haar rug.

‘Waar denk je aan, stoute jongen?’

‘Aan jou,’ antwoordde Frank, terwijl hij een hand op haar dijbeen legde.

‘Geef de heren nog wat van mij,’ zei juffrouw Monroe. Ze maakte met haar wijsvinger een korte beweging langs haar buren, de heren Vincent van Gogh, zijn vriend Lautrec, Picasso en haar kersverse vriend Frank Zappa.

Half tien. Frank Zappa leunde met zijn rechterarm op de schou­der van Marie Monroe. Met zijn linkerhand dronk hij van zijn bier, hetgeen hem allang niet meer smaakte. Drie glazen stonden er voor hem. Eén verse met nog wat schuim en twee glazen zo goed als dood. Hij was moe van het gehang aan de bar. Hoeveel had hij er al op? Hij had geen idee. Maar hij mocht niet dronken worden. Hij had zin in de nacht. Zin in een bed. Zin in Marie. Hij wilde haar naar huis brengen, door haar uitgenodigd worden. Hij wilde haar rode mond kussen, haar borsten en billen strelen. Hij moest hoe dan ook fit blijven. Hij moest met een heldere kop genie­ten van de dingen die zouden gaan komen. Waarom stapten ze niet op? Er viel toch niets meer te bele­ven. Hij keek naar zijn buurvrouw. Ze dronk kleine glaasjes jenever. Het verwonderde hem dat ze nog zo helder uit haar ogen keek. Aan niets was te merken dat ze er al een flink aantal achter haar kiezen had. Waarom fluisterde ze niet dat ze moe was en dat ze liever naar huis ging. Waarom vroeg ze hem niet om bij haar thuis nog een afzakkertje te nemen? Het was toch aan alles te merken dat zij hem wel zag zitten?

Marie Monroe was in gesprek met Wig. Ze hadden het over de komst van de Messias. Eerdaags zou hij Johannesburg aan doen. Wanneer wist niemand. Hij zou komen als een dief in de nacht. Frank vond het best. Hij luisterde maar half. Soms streelde juffrouw Monroe Zappa’s hand en soms schonk ze hem een liefdevolle glimlach. Gek, dacht Zappa, ik heb het idee dat ik hier al eeuwen woon, het zijn slechts een paar uur. Vincent van Gogh zat te knikkebollen. Voor hem stonden twee volle glazen rode wijn, zijn zesde en zevende glas. Soms raakte zijn voorhoofd de rand van de bar, zodat hij opschrok en verward om zich heen keek. Telkens als hij wakker schrok keek hij op zijn horloge, schudde zijn hoofd en mompelde onverstaan­baarhe­den. Daarna knikkebolde hij wederom in slaap. Om even over half tien kwam mevrouw Alma Mahler van 305 de Nadorst binnen. Een ogenblikje, al zou ze twijfelen om verder te komen, keek ze in het rond. De hoge heren aan het tafeltje bij het biljart staakten ogenblikkelijk hun gesprek. Want kijk nu eens, stond daar even een mooie vrouw!

‘Zo zo,’ fluisterde Amadeo Mozart. Hij klakte met zijn tong.

‘Zeg dat wel,’ zei Händel en maakte een fluitend geluid tussen zijn tanden.

‘Een vrouw van stand,’ zei Goethe. Dat zie je zo. Kijk alleen maar naar haar kleding. J.S. knikte instemmend. Hij scheen het met zijn vrienden eens te zijn. Als een pijl uit de boog schoot Picasso op Alma Mahler toe. Hij gaf haar een handkus en hielp haar uit haar bontjasje.

‘Het begint met de jas en eindigt met de broek,’ liet Mozart zich ontvallen. Händel schoot in de lach.

‘Foei,’ zei J.S. Picasso nam haar bij de arm en loodste haar naar een tafeltje in de uiterste hoek van het café. Daarna wenkte hij Wig.

‘Kijk hem nou,’ zei Wolf von Goethe spottend. ‘Ik begrijp niet wat die vrouw in zo’n kerel ziet.’

‘De eeuwige versierder’, fluisterde juffrouw Monroe in Zappa’s oor.

‘Pas maar op dat ik jou niet versier.’

‘Volgens mij heb je dat al gedaan.’ Ze hield hem haar pakje sigaretten voor. Ze rookten en zwegen. Ze keken hoe Wig een brandende kaars op een schoteltje vast probeerde te krijgen. ‘Je hebt me nog niet verteld w-waar je woont.’

‘Raad eens?’ En hij dacht, die is echt tipsy. Want hij had haar vanmiddag nog verteld dat hij op nummer 101 was komen wonen, pal naast haar.

‘Ik schat je op de d-derde of vierde,’ antwoordde juffrouw Monroe.

‘Toe maar.’

‘Zit ik er ver n-naast?’

‘Ja, want ik ben je buurman. Maar volgens mij wist je dat allang.’