Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

51 Nannie en Fannie

Terwijl het in de Nadorst alsmaar drukker werd maar de stemming jammer genoeg te wensen overliet, werd er in het pianokamertje aan de achterzijde van het winkeltje van huismeester Smit druk gerepeteerd door het vrouwenkoortje de Dames van de Derde. Zeven bewoonsters van de derde etage. De klassieke zangeres en dirigente Maria Callas van nummer 302, de actrice Lucy Ball van 304, componiste Alma Mahler van 305, pianiste Nannie Mozart van 306, componiste Fannie Mendelssohn van 307, beeldhouwster Camille Claudel van 308 en zangeres Laverne Andrew van 309, de vriendin van de schilder Van Gogh van nummer 704, die haar gewoonlijk Zusje noemde.

Was ist Silvia saget an, werd er nu onder handen genomen, een liefdeslied van Franz Schubert, speciaal voor de Dames van de Derde gearrangeerd voor tweestemmig vrouwenkoor. Maar ook gezang 117 Hoe zal ik u ontvangen werd gerepeteerd. Het prachtige gezang dat door de componist Igor Stravinsky van 802 speciaal was gearrangeerd voor de Dag des Heren.

Maria Callas, de vaste vriendin van Franz Schubert van 805 had verreweg de mooiste stem van het zevental. Maria zong de solopartijen, nam het voortouw bij het instuderen van nieuw repertoire en leidde het inzingen en de stemoefeningen. Zij werd beschouwd als de leidster van de zanggroep. Met uitzondering van mevrouw Alma Mahler. Deze ergerde zich aan de autoriteit van Maria Callas.

Alma vond dat zij, gezien haar muzikale verleden als componiste, dirigente en ex-echtgenote van één van de grootste componisten op het aardse, best wat meer zeggenschap over het koortje mocht hebben. Ook pleitte Alma voor uitbreiding van het koortje met dames van andere etages. Uitbreiding zou het koortje meer power geven. Ze had dit al verschillende keren onder de aandacht gebracht. Zo hadden de buurtjes Billie Holiday, Edith Piaff, en Mahalia Jackson van respectievelijk de nummers 203, 204 en 205, al verschillende malen laten weten ook bij de Dames van Derde te willen toetreden. En van hogere etages kwamen er eveneens geluiden van dames die mee zouden willen zingen: Mevrouw George Sand van nummer 406 en ook de naar het scheen zeer muzikale Klaartje Wieck van 507. Maar Callas wilde hier voorlopig niets van weten.

Wij dragen niet voor niets de naam de Dames van de Derde, was haar antwoord als Alma daar naar vroeg. De intimiteit van het koortje mocht niet in het geding komen. Alma zei het niet vaak hardop, maar ze vond Maria Callas soms een vervelende en arrogante vrouw. Maria scheen er zelf niet mee te zitten. Natuurlijk voelde ze onvrede bij Alma. Maar ze liet zich niet intimideren.

Vooral de laatste tijd was Maria Callas in goede doen nu ze had besloten, indien zij hiervoor van hoger hand toestemming zou krijgen, haar intrek te nemen bij haar geliefde Franz Schubert. Wat wooncomfort zou dit een hele vooruitgang zijn. Immers van de derde naar de achtste was een hele sprong. Maar gezien haar stand hoorde ze ook zeker thuis in de hogere regionen. Op het aardse had ze in de meest luxueuze omgevingen vertoefd en samengeleefd met de allerrijksten. Haar vriend Franz had haar beloofd dat mocht de verhuizing doorgaan, zij de muziekkamer tot haar beschikking zou krijgen, inclusief piano. Wie weet zouden de Dames van de Derde wel hun repetities in zijn appartement kunnen houden. Dat zou een geweldige vooruitgang zijn in vergelijking met het benauwde pianokamertje op de begane grond. Bovendien was Franz een uitstekend pianist en zou het koortje kunnen begeleiden.

Vijf minuten over half negen. Buiten schemerde het. Op het moment dat Vincent van Gogh met een verhit gezicht zijn broek dicht knoopte en aanstalten maakte om zich naar zijn appartement te begeven om voorbereidingen te treffen voor de busreis van morgen naar het Sint-Lukas, probeerde de sopraanzangeres Maria Callas voor de zoveelste keer aan Lucy Ball uit te leggen dat ze tijdens het zingen niet van die kinderlijke bewegingen moest maken en dat ze ook de snappende vingers achterwege moest laten.

‘Dit is een serieuze kwestie, Lucy,’ liet Maria Callas haar telkens weer weten. ‘Dit is geen amusement, lieve meid.’ Ook liet de adem- en zangtechniek bij Lucy te wensen over. Lange noten moest ze proberen vast te houden in het middenrif. ‘Adem eens diep in, lieve Lucy,’ vroeg Maria vriendelijk. En terwijl Lucy grinnikend gehoorzaamde plantte de leidster haar handen in haar de zij om te voelen of de adem inderdaad vastgehouden werd. ‘Houd vast, lieve meid,’ vervolgde Maria. De overige dames luisterden aandachtig. Zij hadden respect en bewondering voor de donkerharige sopraan. Alma Mahler vond de aanwijzingen overdreven. Bovendien vond ze dat Lucy Ball in het geheel niet bij het koortje paste. Ze had een hese stem, bewoog zich kinderachtig en kon amper van blad zingen. Alma begreep niet wat ze in het koortje te zoeken had.

Twee koorleden die wel aandachtig luisterden naar de opmerkingen en aanwijzingen van hun leidster waren Nannie Mozart en Fannie Mendelssohn. Deze twee dames waren tijdens de repetities en uitvoeringen zeer betrokken en vormden de ruggengraat van het koortje.

Nannie en Fannie waren op de derde etage elkaars directe buurtjes. Bovendien waren zij hartsvriendinnen. Zij stonden met optredens en repetities steevast naast elkaar en zo nu en dan, zonder dat zij er erg in hadden, hand in hand. Commentaar kregen zij hier niet of nauwelijks op. Een ieder wist dat de twee bij elkaar hoorden. Een ieder wist dat zij een zelfde geheim met zich meedroegen. Het geheim van hun broeders.

De broers van de zussen dus. Ze woonden ver boven de derde. Felix, de broer van Fannie op nummer 602, en Amadeo, ook wel door zijn zusje Wolfje genoemd, op 904. Hoge pieten dus. Alsof zij vreemden waren, zo gedroegen de superbroers zich tegenover hun zussen. Het leek alsof zij op hun zussen neerkeken. Als ze elkaar tegenkwamen kon er niet meer af dan een kort knikje. Gelukkig hadden de meisjes steun aan elkaar. Vrijwel iedere avond ontmoetten Fannie en Nannie elkaar. De ene keer bij Nannie thuis, de andere keer bij Fannie. Ze spraken soms tot diep in de nacht over hun verleden, over muziek, over kunst en over hun broers. Soms werd het zo laat dat ze bij elkaar bleven slapen en in bed verder praatten. Dan kropen ze tegen elkaar aan, hielden elkaar vast en soms was daar de lichamelijke liefde met zoekende handen en hartstochtelijke kussen totdat ze uiteindelijk tevreden in slaap vielen.

Vaak trof je de twee in het centrum van Johannesburg waar zij hun vaste winkeltjes hadden. Ook maakten ze wel eens een dagtripje naar de Bloemenstad, waar zij in één van de pretparken hun vertier zochten. Musiceren deden ze eveneens samen. Zo af en toe huurden zij het pianokamertje af. Kortom, de twee waren onafscheidelijk. Slechts één geheim kende hun relatie, en wel een heel bizar geheim, het geheim van Fannie. Zij was namelijk hopeloos verliefd op de broer van Nannie. Als Nannie weer eens vertederend over hem sprak, soms met tranen in haar ogen, hing zij aan haar lippen.

Het moge duidelijk zijn, het verlangen van de zussen was groot naar een normaal contact met hun broers. Nannie had wel eens de stoute schoenen aangetrokken en bij huisnummer 904 aangeklopt. Haar broer Amadeo had haar met grote ogen aangekeken en gevraagd wat zij beliefde. Ik ben je zus, had zij gezegd, zie je dat niet? Natuurlijk, had hij schaterlachend geantwoord. Hier in het hiernamaals is iedereen broeder en zuster. Wilt u niet even verder komen voor een kopje thee? Daarna had ze hem door haar tranen heen met overslaande stem voor de tweede keer toegeschreeuwd: Wolfje, ik ben Nannie, je zusje! Daarna was ze snikkend en overstuur terug naar het trappenhuis gehold en in de armen van Fannie uitgehuild. Was haar broer nu echt vergeten hoe zij ooit samen achter de pianoforte hadden gezeten. Was hij vergeten hoe zij met vader van stad naar stad waren getrokken om concerten te geven? Was hij het allemaal kwijt dat zij als kinderen elkaar achterna hadden gezeten en tikkertje hadden gespeeld rond de grote tafel in de mooie kamer van moeder? Hadden zij elkaar niet getroost als vader boos was geweest wanneer zij niet voldoende gestudeerd hadden? Wist hij niet meer hoe ze met Nannie haar poppen over het klavier hadden gedanst en daar liedjes bij hadden verzonnen? Was hij zijn zusje dan helemaal vergeten?

Met Fannie was het niet anders. Ook zij herinnerde zich de dierbare momenten die zij met haar broer Felix van 602 had doorgebracht. En ook zij kon onmogelijk contact met hem krijgen. Hoe was het toch mogelijk geweest dat hij haar zonder een blik te gunnen voorbij was gelopen toen zij elkaar nog niet zo lang geleden tegen waren gekomen op weg naar de wasserette? Hoe kon hij vergeten zijn dat ze als kind iedere dag samen gespeeld hadden in de grote tuin achter het huis. Hoe ze achter het klavier muziek hadden bedacht bij de Midzomernachtdroom, het verhaal van meneer Shakespeare? Wist hij nog wel hoe ze samen languit op de vloer in de huiskamer hadden gelegen en onder toezicht van mama de mooiste tekeningen hadden gemaakt? Was hij vergeten hoe zij hem getroost had als hij weer eens huilend thuis was gekomen nadat hij door straatjongens was bespuwd en voor vuile jood was uitgescholden? Wist hij dan niets meer van hun vriendschap?

En zo speelde zich iedere dag een klein drama af op de derde etage van de artiflat in Johannesburg.