Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

111 Opdracht voor meester Rembrandt

Het was hartstikke nacht, en doodstil. De zevende hemel werd flauw verlicht door honderden minuscule sterretjes. Draaide je naar links dan was daar een oranje gloed, veroorzaakt door het nachtleven van hoofdstad Sint Petrusburg. Rond de klok van drie werd de stilte verstoord door een traag gewapper. Waar het vandaan kwam, Joost zou het weten. In ieder geval ergens van hoog uit de lucht. Naar het geluid te horen zou het om vogels gaan, geen gewone vogels, maar zeker reuze vogels. Om hoeveel was in deze duisternis nog niet waar te nemen, maar een handvol, dat zeker. Toen de dageraad zich aankondigde was het duidelijk dat het om een zestal vogels ging, allen onwerkelijk groot en wit van kleur. Van vliegen was nauwelijks sprake, ze zweefden. De super dieren hingen boven een ogenschijnlijk vredig veld. Het gras stond op kniehoogte. Hier en daar stond een groepje fruitbomen. In de verte doemden de heuvels op van het zo gevreesde Louteringsgebergte. De reden van de aanwezige vogels in het schemerige luchtruim zou niet lang op zich laten wachten. Langzaam maar zeker ging het zweven weer over in geklepper. Wanneer je goed luisterde, begon het aan de horizon te rommelen. Binnen de kortste tijd stak er plotseling een stevige bries op samengaande met een aantal ongewoon felle lichtflitsen, gevolgd door een donderslag. Onweder, zou men op de aardkloot zeggen, we krijgen slecht weer!

Op de plek in het luchtruim waar de reuze vogels zich ophielden verscheen er pal beneden hen, in een minuscuul grasveldje een opening. Onder een vreemdsoortig gebrom, begeleid door bliksemschichten en het alsmaar heviger rommelen, kwamen uiterst traag twee grote zwarte luiken uit de diepte tevoorschijn. Alsof zij een commando zouden hebben gekregen daalden de vogels tot enkele meters boven de opening in het veld. Het ging er allemaal zo vanzelfsprekend en synchroon aan toe dat het leek alsof de vogels door een afstandsbediening bediend werden. Tussen de luiken, die nu fier overeind stonden, ontstond een ingang die overging in een ondergrondse tunnel. Terwijl de bliksem en donder heviger werden en een laatste oorverdovende klap door het veld denderde werden er lichten in de tunnel ontstoken. Van het ene op het andere moment was al het lawaai verdwenen en werd het bladstil, angstig stil. De vogels hingen werkeloos boven de tunnel, zij schenen te wachten. Er heerste wellicht een stilte voor de storm.

Tegen vier uur reed er zeer langzaam en met knipperende lichten een automobiel de ondergrondse tunnel uit. De wagen, die alles weg had van een legervoertuig, was wit van kleur en had geblindeerde ramen. In de achterbak zaten vier gehelmde en bewapende engelen. Toen de automobiel snelheid begon te maken zakte de groep vogels gehoorzaam mee. De zwarte luiken sloten zich even zo traag als zij tevoorschijn waren gekomen. Het landschap keerde terug in zijn oude vorm. De kleine witte vlaggetjes voorop de auto gaven aan dat er zich achter de geblindeerde ramen een lid van de heilige familie, het Koningshuis, zou bevinden, maar wie, was voorlopig een raadsel. Eén ding was zeker, gezien de geringe beveiliging, kon het onmogelijk de Hemelvorst zelve zijn. Wellicht was het zijn moeder, de Heilige maagd Maria. Maar moest zo’n autorit met zoveel bombarie geschieden? zou men zich kunnen afvragen. Kon dat niet zonder die vogels, dat gedonder en militair gedoe? Het was algemeen bekend dat de maagd incognito, compleet met boodschappentas bij tijd en wijlen de slang nam naar de grote stad. En het kon dus gebeuren dat men de vrouw der vrouwen gezellig winkelend aantrof, want waarom zou de Moeder Gods ook niet eens rustig willen shoppen. Maar het kon ook best zijn dat men de heilige moeder aantrof tijdens een zakelijke verplichting, bij de opening van een nieuw winkelcentrum bijvoorbeeld, of een sportcomplex, of kerkgebouw. Of was het misschien één van Jezus zijn volgelingen die in de automobiel had plaatsgenomen. Het was algemeen bekend dat Johannes, de meeste geliefde vriend van Jezus, zich ook wel eens door het hiernamaals liet rondrijden. De laatste keer dat hij in het openbaar was gesignaleerd, was tijdens de onthulling van het beeld Johannes die de Heer liefhad op het Plein van de Hemelse Vrede in Johannesburg. Maar voorlopig was het gissen wie er zich achter de zwarte ramen verborg.

Op het moment dat de witte automobiel, gevolgd door de vogels, traag door de velden van het hiernamaals reed stond Harmenszoon van Rijn zich te scheren in de badkamer van zijn appartement op nummer 803. Op het planchet rustte de brief met als afzender het kabinet van het Koninkrijk Gods. Hoe vaak had hij de brief niet gelezen. Aanvankelijk kon hij het niet geloven. Was het waar, was het echt, wilde de heilige familie een werk van hem? Alras bleek dat het op waarheid berustte en er niemand een grap met hem had uitgehaald. Aan iedereen die het maar horen wilde vertelde hij het grote nieuws. Hij had het van het dak van de arti af willen  schreeuwen. Rembrandt Harmenszoon van Rijn had een opdracht, en wat voor eentje! Een portret maken van een lid van het Koningshuis. Wat zouden zijn collega medebewoners Vermeer, Van Gogh en Picasso jaloers op hem zijn. In de spiegel stak hij zijn tong naar hen uit. Op het zelfde moment sneed hij zichzelf met het scheermes. God straft onmiddellijk. Een vloek was het gevolg. Terwijl hij naar het wattendoosje zocht verzocht hij de Heiland om vergiffenis. Hij had het niet zo bedoeld. Hij was gewoonweg in de war. Waar was hij ook al weer gebleven. O ja, de opdracht. Het was een soortgelijke opdracht zoals hij die ooit op het aardse gekregen had, dames van hoge stand portretteren. Dames met allure, met smaak, met mooie hoeden, met bont en sieraden, met geld, in prachtige gewaden. Nou, die waren bij hem aan het goede adres geweest.

Harmenszoon vindt zich zelf verdomd goed in het schilderen van vrouwen. Behalve dat hij van zijn liefjes Saskia, Geertje en Hendrickje magnifieke schilderingen gemaakt heeft waren het ook dames van goeden huize, van deftige families die bij hem aanklopten. Maar deze opdracht was toch wel even anders. Zeker weten dat hij binnenkort ook in het hiernamaals beroemd zal worden, net als bovenbuurman Bastiaan Bach. Onder het trekken van grimassen sopt hij zijn kin. Hij bedenkt zich dat hij zo direct moet controleren hoe het met de schilderszaal gesteld is. Hij heeft Gerrit Smit de opdracht gegeven om deze goed onderhanden te nemen. Als alles goed is zal zijn model tegen de middag arriveren. Zou ze met een hoed en een mooi kleedje op het doek willen, of met haar borsten vrij, of…  helemaal bloot? Ze zegt het maar, hij heeft ervaring met bloot. Hij denkt aan zijn doeken Bathseba in bed en Suzanne in bad. Hij kent de geschiedenis van deze heilige vrouw. Ze is de vaste vriendin van Jezus. En naar men beweert ooit zeer zondig geweest, wat heet zondig, een prostituee, een vrouw waarin de duivel heerste. Maar Jezus kennende, deze heeft altijd een zwak voor het zwakke geslacht gehad, sla de bijbel er maar op open.

Kwart over 10. Harmenszoon loopt met een handdoek en een wit schuimende baard zijn woonvertrek in. Hij kijkt naar buiten en ziet dat er in het bruidsboeket een witte vlag wappert, de vlag van het Koningshuis. Hij neemt zijn kijker en ziet de rood-witte linten tussen de bomen van de Boulevard Antonius. Als hij beseft dat hij binnen een paar uur oog in oog met haar zal staan bekruipt hem een gevoel van opwinding. God koek koek! roept hij plotseling met luide stem, kijk nou eens. Als je het over de duivel hebt! Daar loopt J.S.! En wie is die rode dame die aan zijn arm hangt? Mazzelaar, mompelt hij en zet de verrekijker terug op de vensterbank. Dan merkt hij dat hij nog in zijn onderplunje staat. Automatisch doet hij een stapje achter uit. Hij zal zich moeten haasten. In de slaapkamer hijst hij zich in zijn manchester broek en zoekt er een set gekleurde bretellen bij. Over zijn witte hemd wurmt hij zijn schilders kiel. Uit zijn werkkamer neemt hij enkele grote vellen tekenpapier, zijn schetsboek, en een doosje houtskool. In de hal zet hij zijn baret op het hoofd, kijkt nog even in de spiegel, ontdekt nog een snotje in zijn neus, neemt zijn zakdoek ter hand, en verlaat zijn appartement.

Het is elf uur. Huismeester Gerrit Smit zit in de schilderszaal geknield op een plateau waarop een mooie zetel staat, het heeft iets weg van een troon. Hij legt de laatste hand aan zijn klus. Het uit twee treden bestaande opstapje alsmede het plateau heeft hij bekleed met kunstgras waar hij zojuist de laatste nieten in heeft geschoten. De elektrische nietmachine is een pracht apparaat, vindt hij. De wondermachine is gehuurd bij een verhuur-bedrijf op het industrieterrein in noord. De huismeester heeft een timmerschortje voor. Gemakkelijk en stoer vindt hij. De ongebruikelijke arbeid die hij de laatste dagen uitvoert doet hem denken aan vroeger toen hij als loodgieter in de bouw werkte. Hij herinnert zich hoe timmerlui met een nietmachine complete plafonds aan de balken vast schoten. Achteraf had hij ook liever timmerman geworden. Als loodgieter had hij soms smerige klusjes op te knappen, zoals het schoonmaken van verstopte toiletten en het doorsteken van rioolbuizen. Vaak had hij tot zijn ellebogen in andermans stront gezeten.

Het fijne weet hij er niet van, maar hij heeft vernomen dat er een belangrijk model voor meester Rembrandt op de zetel zal plaatsnemen. Er zullen behalve bewoners ook genodigden uit andere streken komen. Naar zijn weten zal burgemeester mevrouw moeder Teresa een openingswoordje doen. Mahalia is op dit moment bezig rijen klapstoelen voor het kleine podium te zetten. Dat is waar ook, hij moet de microfoon nog uittesten. Hij wipt van het podium, knijpt zijn vriendin in de billen en legt de nietmachine terzijde. Vervolgens loopt hij naar Lodewijk die braaf in zijn mandje ligt. Hij aait het beestje liefelijk over zijn kopje. Smit begrijpt niet waarom het dier vanmorgen zo gromde naar Mahalia.

Om ruimte te krijgen hebben de huismeester en zijn vriendin zojuist enkele schildersezels opzij gezet. Ze hadden schik gehad om het doek De non van meester Vermeer. Duidelijk zag je dat het Frau von Bingen van 606 betrof, maar dan met een pareltje in haar neus. En dan de erotisch doeken van de schilders Dali en Van Gogh. Het doek van Dali, Twee vrouwen getiteld, liet twee meisjes zien die elkaar bevoelden. Aan het schilderij van Vincent van Gogh, Jonge vrouw met inkijk kon je zien dat het om de vriendin van de schilder ging. Met één voet rust ze op de vloer, met het ander op de zitting van de stoel. Voor geen geld zou ik mij zo laten schilderen had Mahalia gezegd, waarna Gerrit geantwoord had dat ze daar ook een veel te dikke kont voor had. Terwijl Smit de microfoon zoekt valt plotseling het licht uit. Lodewijk maakt piepende geluiden. In het donker struikelt hij over een klapstoel. Voorzichtig, zegt Mahalia. Bemoei je met je eigen, mompelt hij geïrriteerd. Hij knipt zijn aansteker aan. Het is hier godverdomme hartstikke donker, vloekt hij. Let een beetje op je woorden, hoort hij zijn vriendin zeggen. Geschrokken van de vallende stoel komt Lodewijk met veel geblaf zijn richting uit. Het dier hapt hem in zijn broek. Smit schopt vloekend het beest van zich af. Maar Lodewijk houdt vast. Woedend geeft Smit het hondje een mep, waarna het met een hoge kef loslaat. Wat doe je nou kuthond? blaft de huismeester. Lodewijk blijft grommen. De huismeester zoekt op de tast naar de deur. Als hij deze opent valt er een streep licht naar binnen. Buiten is het donker en rommelt het. Mahalia staat bibberend achter hem.

‘Hoor je dat?’ vraagt ze.

‘Wat hoor ik,’ antwoordt Smit. In zijn stem klinkt ergernis. Hij neemt zijn tabaksspullen tevoorschijn en rolt met bevende vingers een sigaret. Het is ongewoon raar weer. Het weerlicht en het dondert.

‘De Here God laat van zich horen,’ zegt Mahalia, terwijl ze haar handen vouwt. ‘Jij altijd met je God,’ reageert Smit venijnig. Daarna doet een fel licht hen bijna verblinden en klinkt er een enorme knal.

Ze staan met een groep andere artibewoners op de stoep van de flat. De meesten kijken bezorgd. In de gauwigheid ziet hij Wigbert de barkeeper, de vriendinnen Janis Joplin en Amy Winehouse van de eerste, het koppel Holiday en Morrison van de tweede, de meisjes Mozart en Mendelssohn van de derde, de rare snoeshaan Dali van de vierde, mevrouw Dietrich van de vijfde, Bruckner, Sjors en Van Gogh van de zevende, Picasso van de achtste, en J.S. met een rode juffer van de negende. Ze wijzen omhoog, maken gebaren, en praten door elkaar. Gek genoeg verstaat Smit ze niet. Hij doet een stap naar voren zodat hij bijna midden in de groep staat. Hij vraagt aan Sjors wat er aan de hand is. Sjors kijkt hem aan alsof hij gek is. Hij antwoordt, maar Smit kan er geen wijs uit worden. Hij brabbelt in een andere taal. Hij merkt dat iedereen in een eigen taal spreekt. Een huilende Mahalia komt naar hem toe en vraagt iets wat hij alweer niet verstaat. Ik begin gek te worden, denkt hij. Het lijkt goddomme wel alsof ze in tongen spreken! Dan voelt hij Lodewijk aan zijn benen snuffelen. Het beestje kijkt naar zijn baasje omhoog. Hij opent zijn bek en laat zijn tanden zien. Dan zegt het:

‘Het spijt me van zonet, Gerrit.’ Daarna valt Smit in katzwijm.