Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

102 Otis en Anton

Otis Redding, de 26 jarige soulzanger, de benjamin van de artiflat, wonende op de hoek van de eerste etage, ligt in bad. Vanuit de woonkamer hoort hij de falsetstem van Anton. Deze zingt een gregoriaanse melodie, niet op woorden maar op vocalen, al meent hij zo af en toe wel de woorden Kyrie en Credo op te vangen. Hij is in goede doen, anders zou hij niet zo luidruchtig zingen. Dat was een paar weken geleden wel anders. Door met zijn voeten te trappelen ontstaan er golfjes en beweegt het bootje dat hij gevouwen heeft op en neer. Hij kijkt om zich heen. De badkamer van Anton is net zo groot als zijn woonkamer op nummer 111. De appartementen vanaf de zesde verdieping en hoger beschikken over een badkamer met ligbad. De etages drie, vier, en vijf hebben een douchecabine. De bewoners van de twee laagste verdiepingen hebben geen wasgelegenheid. Zij moeten volstaan met de kraan van het aanrecht of het fonteintje in de wc. Wat een genot zo’n bad, denkt hij, terwijl hij het bootje heftig heen en weer laat schudden. Als hij thuis een bad zou hebben, zou hij er veel in liggen. Otis vindt het tof dat hij Anton bij zijn voornaam mag noemen. Eerst was het meneer Bruckner voor en na. Maar gisteren in de slang naar Sint-Petrusburg hadden ze besloten elkaar te tutoyeren. Hij mocht de zachtaardige man graag. Hij zag hem als een soort vader, of misschien grootvader.

Otis had er tegenop gezien toen hij een aantal weken geleden rond het middaguur bij de maestro op 601 had aangebeld. Hij herinnert zich hoe hij van de kleine kale man was geschrokken. Nog ziet hij hem staan in de deuropening, in zijn onder plunje. Hij had vermoeid uit zijn ogen gekeken en had een stoppelbaard. Na enige aarzeling was hij uitgenodigd binnen te komen. Al direct in de hal had de muffigheid hem bij de keel gegrepen. De woonkamer was groot en donker en was bekleed met dikke gordijnen en tapijten. Het was er vol. Aan de wanden hingen schilderijen van onbekende personen, verder kleine en grote kruisen met de Lieve Heer en diverse Maria’s. In het midden stond een grote ruwhouten tafel met er omheen stoelen met hoge ruggen en houtsnijwerk. Naast de tafel stond een strijkplank waarover een grijze pantalon hing. Het lichtje van de strijkbout brandde. Otis had zich geëxcuseerd dat hij hem gestoord had. Maar de gastheer had dit weggewuifd en hem uitgenodigd plaats te nemen. Midden op tafel lag een grote lederen bijbel met gouden scharnieren met daar bovenop oneerbiedig een asbak vol sigarenpeuken. Nadat Bruckner een verse sigaar had opgestoken, het strijkijzer had uitgezet en voor thee had gezorgd nam hij plaats aan de tafel tegenover zijn bezoeker. Hij leek zich in het geheel niet te generen dat hij nog altijd in zijn onderbroek zat.

‘U bent nieuwsgierig naar Gods woord’, had Bruckner gevraagd toen hij Otis langdurig naar de imposante bijbel had zien kijken.

‘Wij hadden thuis ook een grote bijbel,’ had Otis geantwoord. ‘Maar niet zo’n mooie als u heeft.’

‘Wat een geluk dat uw ouders ook de Heer in huis hadden,’ had Bruckner gezegd. Otis had geknikt. Hij wist verder niets te zeggen. ‘De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken’, had Bruckner gepreveld, terwijl hij een koektrommel onder zijn neus had gehouden. Otis had het kunstig gevonden dat Bruckner spreken kon zonder zijn sigaar uit zijn mond te nemen. ‘Wat brengt u hier naar toe?’ had Bruckner na een stilte gevraagd.

Nu ligt hij dus in bad, in de badkuip van Anton Bruckner op de 6e etage. Anton is opgehouden met zijn gezang. Het is stil in huis. Als hij zijn oren scherpt hoort hij het tikken van de verschillende uurwerken die zich in het huis bevinden.

‘Sinds de wasserette dicht is doe ik de was in de badkuip.’ Otis schrikt. Want de heer des huizes staat in de deuropening van de badkamer. Hij heeft hem niet horen aankomen. Anton toont hem een brede glimlach. ‘Is het water warm genoeg?’ Otis knikt en probeert zich zo ver mogelijk onder de waterlijn te verbergen. Hoe lang staat hij daar al, vraagt hij zich af. Zijn bootje kabbelt tussen zijn voeten, het botst tegen de wand van het bad. Anton leunt ontspannen tegen de deurpost. Hij rookt een sigaar. ‘Ik weet niet hoe het jou vergaat’, zegt hij dan, ‘maar ik moet nog veel denken aan gisteren. Ik kon zelfs moeilijk in slaap komen.’

‘Het was een geweldige dag,’ antwoordt Otis. ‘Een dag om niet snel te vergeten.’

‘Zo is dat,’ zegt Brucker en hij maakt aanstalten de badkamer te verlaten. ‘Ik heb thee gezet, dus als je zo ver bent,’ zegt hij nog. ‘Of was je van plan de hele dag in de oceaan rond te dobberen?’ Dan draait hij zich grinnikend om en verheft zich wederom in luid gezang. Ja het was een bijzondere dag, denkt Otis. Een dag vol verrassingen en onverwachte gebeurtenissen.

‘Wat mij hier naar toebrengt,’ had Otis die voormiddag gehakkeld, ‘is dat de wasserette plotsklaps gesloten is. U zult hier zeker van gehoord hebben. En toen ik had vernomen dat de juffrouw bij u in de huishouding werkte had ik gedacht dat ik eens bij u zou informeren, wellicht wist u waar zij was. Ik had een goede band met de juffrouw van de wasserette en ik begrijp er geen sikkepit van dat ze zomaar verdwenen is.’ Bruckner had langzaam van neen geschud.

‘I k w e e t h e t n i e t, i k w e e t h e t n i e t,’ had hij plotseling luid geroepen. Hij had hierbij zijn eigen woorden gedirigeerd. Het had geleken alsof hij kwaad of radeloos was. ‘Het is voor mij eveneens een groot raadsel, een mysterie!!’ Toen was hij opgestaan en had ruw de gordijnen geopend. Otis had zich niet op zijn gemak gevoeld. Hij had zich afgevraagd of hij er wel goed aan had gedaan om Bruckner te bezoeken. De man leek hem danig in de war. De componist had nog steeds geen aanstalten gemaakt om zich fatsoenlijk aan te kleden. De witte benen onder zijn boxershort hadden lachwekkend aangedaan. Zonder een woord te zeggen had Bruckner een tijdlang voor de balkondeuren gestaan. Toen hij even later weer tegenover hem aan tafel had gezeten, had Otis zijn betraande ogen gezien. Na een lange zucht zei hij op zachte toon: Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden… Daarna waren lange stiltes gevolgd. Ze hadden van hun thee gedronken en koekjes gegeten. Geen van beiden hadden iets losgelaten over hun gevoelens jegens juffrouw Annette. Tenslotte was Bruckner moeizaam opgestaan en had zijn strijkwerk hervat. ‘Doet u ook aan muziek?’ had hij plotseling vanachter de strijkplank vriendelijk gevraagd.

‘Ja zeker,’ had Otis geantwoord. Hij was blij dat het onderwerp van het gesprek een wending had gekregen. ‘Ik zing,’ had hij gezegd.

‘Prachtig,’ had de componist geantwoord.’ En hij vervolgde met zekere trots: ‘Ik heb veel voor de menselijke stem gecomponeerd. Kent u mijn Te Deum?’ Otis schudde van nee.

‘Ik ken nauwelijks klassieke muziek,’ had hij geantwoord. ‘Ik zing van uit mijn soul.’

‘Dat heeft u mooi verwoord,’ had Bruckner geantwoord. ‘Doet u mij een plezier en laat iets van uw zangkunst horen. Vrolijk mij op. U zult gemerkt hebben dat ik enigszins treurig gestemd ben.’ Een moment later hadden tranen over Bruckners wangen gebiggeld toen Otis het lied I’ve got dreams to remember had gezongen. Daarna had de componist zijn strijkwerk hervat. Otis had gezien hoe secuur en langdurig hij met de broekspijpen bezig geweest was. Bruckner die zijn bezoeker naar hem had zien kijken zei: ‘Een klusje dat onze lieve juffrouw altijd voor mij deed.’ Er volgde een snik. Toen zei hij: ‘Ik zou u mijn Adagio willen laten horen. Over een week ga ik naar Sint-Petrusburg om daar het orgel van de Dom te bespelen. Als u wilt, bent u die dag mijn gast.’ En zo geschiedde het.

Het bootje is gekapseisd. Met mijn tenen probeer ik het overeind te krijgen. Ik maak nog geen aanstalten om de badkuip te verlaten. Ik denk aan gister. ’s Morgensvroeg hadden we de slang naar Sint-Petrusburg genomen. Het was een stralende dag, met een heerlijk zonnetje en een flauw briesje. Vanuit de kamer hoor ik Anton met zijn onvervalste falset stem zingen. Hij is opgeknapt, vind ik. Wellicht komt dit door de prachtige dag van gisteren. Eerst hadden we de reusachtige Dom bezocht, een kerk met een gouden koepel. Anton had op het orgel een gedeelte uit zijn Adagio gespeeld en geïmproviseerd op I’ve got dreams to remember. Het had indrukwekkend geklonken. Ik had er kippenvel van gekregen. Daarna hadden we de trappen naar de koepel bestegen om over de stad te kijken. De koster die ons begeleidde had opvallende gebouwen aangewezen, waaronder het voetbalstadion, het centraalstation, musea, de gebouwen van de wereldmarkt, diverse kerkgebouwen, en aan de horizon de Toren van Babel, waarin zijn idool Richard Wagner woonde. Toen zijn wijzende vinger op de rode molen was blijven rusten, had hij ons een ondeugende knipoog gegeven. Direct na de Dom hadden we aan de overkant van het plein een McDonalds bezocht. Anton had getrakteerd op een vorstelijk bord met patatfrites en een Petrusburger met saus. Daarna waren we richting centrum gelopen. Ik had me gegeneerd voor de veel te korte pantalon van Anton. Een stuk kuit was geheel zichtbaar. Verschillende burgerzielen hadden ons nagekeken. Toen ik had gevraagd waarom hij zijn broekspijpen zo omgeslagen had, had hij geantwoord dat dit het orgelspelen met pedalen vergemakkelijkt. We waren door een park gelopen toen Anton plotseling halt had gehouden. ‘Ik denk nog veel aan haar,’ had hij gezegd. Ik had hem vragend aangekeken. En na een aarzeling vervolgde hij: ‘Ik bedoel juffrouw Annette. Zij was geen hulp in de huishouding zoals ik je deed geloven, zij was mijn minnares.’ Ik had op dat moment niets weten te zeggen. Moest ik nu ook mijn gevoelens blootgeven? Ik hield me echter in. Wat had ik moeten zeggen? We hadden wel woorden kunnen krijgen. Minutenlang was er gezwegen. Rond de klok van drie waren we het drukke centrum binnengewandeld. Anton was moe en we hadden in een parkje een bankje opgezocht met zicht op de rode molen. En toen vertelde ik Anton over mijn liefde voor juffrouw Annette. Het moet een schok voor hem geweest zijn, want hij was wit weggetrokken. Toen had hij een hand op mijn knie gelegd en zich daarna op het gras gevlijd om een dutje te doen of even weg te dromen. Ik was opgelucht en had gekeken naar de overkant waar het volk zich richting rode molen bewoog. Daarna waren we verder gelopen en hadden een museum bezocht. Daar waren we direct weer weggegaan vanwege het onzedelijke karakter van de tentoonstelling. Bij het verlaten van het museum lazen we in neonletters MUSEUM DE HEILIGE BOON. Verderop waren de straten nauwer geworden. Er waren volop cinema’s, toeristenshops, snackhuisjes en bierluiken. Anton had plotseling halt gehouden, een kruisje geslagen en gepreveld: Heer vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Want in de volgende straat zaten allemaal meisjes achter de ramen, mooie meisjes. Op de hoek van een steegje hadden we geruime tijd stil gestaan. Molensteeg, had ik op het straatnaambordje gelezen. Het was er zo druk dat je er nauwelijks fatsoenlijk doorheen kon lopen. Alsof hij bang geweest was mij kwijt te raken had Anton me bij mijn arm gepakt,

‘Kom,’ had hij gezegd, ‘het is mooi geweest.’ Resoluut had hij zich omgedraaid en mijn hand genomen. Vervolgens waren we aan de terugweg naar het station begonnen. Een warm gevoel bekruipt me als ik terugdenk aan de kortgerokte, lachende en wenkende meisjes achter de ramen. Achteraf vind ik het jammer dat dit allemaal zo kort had geduurd. Ik was nog graag even het steegje ingelopen. En dan zie ik dat het topje van mijn eigen mast boven het water uitsteekt. Snel duw ik mijn zaakje onder water.

‘De thee wordt koud’, roept Anton vanuit de woonkamer. Dan hoor ik hem aankomen. Snel sta ik op, schudt me uit en sla een handdoek om mijn lendenen. Net op tijd, want daar staat Anton.

‘Ik dacht dat je verdronken was,’ lacht hij.