Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

29 Otis en Brian

Helemaal achteraan, op het hoekje van de eerste etage, op nummer 111, woonde de bruingekleurde zanger Otis Redding, een stille, ietwat schuchtere jongeman van zesentwintig jaar. Zijn verhaal was bij velen bekend. Ooit was hij op weg naar een optreden met zijn vliegtuigje in dichte mist neergestort en in een ijskoud meer terecht gekomen. Hij had direct het leven gelaten en zijn ziel was weer terug naar boven gevlogen. Zonder proces was hij het rijk der hemelen binnengekomen, want als er één bewoner van de eerste etage zijn plaats in het hiernamaals had verdiend dan was het wel Otis Redding. Hij was op het aardse gedoopt, had als kind met goed gevolg de zondagsschool doorlopen en als zoon van een dominee een godsdienstige opvoeding genoten. Tegenover zijn ouders was hij een voorbeeldzoon geweest, gehoorzaam en behulpzaam.

Otis was met zijn zesentwintig jaar één van de jongste bewoners van de kunstenaarsflat. Hij leidde een ietwat teruggetrokken bestaan. Tijdens sociale of culturele activiteiten stond hij niet vooraan in de rij. In café de Nadorst zag je hem nauwelijks. Als hij daar wel zat, was dat doorgaans ‘s morgens aan de koffie of warme chocolademelk. Steevast zat hij aan de kop van de leestafel bij de boekenkast. De leestafel was meestal een vaste stek voor de donkere bewoners van de artiflat.

Zo weinig je hem in de Nadorst aantrof zo vaak was hij te vinden in de wasserette van juffrouw Annette. Geruchten deden de ronde dat hij een oogje op haar zou hebben. Maar als dit op waarheid berustte kon hij het wel schudden, want werd juffrouw Annette de laatste tijd niet regelmatig gezien met doctor Anton Bruckner van nummer 601 en drentelde de rode schilder van 704, Vincent van Gogh ook niet om haar heen? Twee hoge heren, zogezegd. Otis maakte geen schijn van kans. Desalniettemin trof je Otis regelmatig met een zakje wasgoed op weg naar de wasserette, al zat er in het zakje veelal niet meer dan een onderslip en een paar sokken.

Bij één persoon op de Arti kwam Otis Redding regelmatig op bezoek. Dat was bij zijn buurman Brian Jones van nummer 104. De twee golden als de jonkies van de arti. Brian Jones telde zevenentwintig jaar, Otis een jaar jonger. Ze kenden elkaar uit tijden van weleer. In het jaar 1967 na de geboorte van onze Heiland hadden zij opgetreden tijdens een festival van populaire muziek. Toevalligerwijs hadden op hetzelfde festival buurvrouw Janis Joplin van 105 en bovenbuurman Jimi Hendrix van 202 eveneens hun kunstjes vertoond.

Over hoe Brian Jones van nummer 104 het Aardse had verlaten gingen de wildste geruchten. Als men hem er op aansprak, haalde hij zijn schouders op. Hij scheen het allemaal niet zo goed meer te weten. Maar de ware toedracht van zijn heengaan was de artiflat wel degelijk binnengedrongen. Twee jaar na het dodelijke vliegtuigongeluk van zijn vriend en buurman Otis, het jaar 1967 na de geboorte van onze Heiland, had Brian Jones, oprichter van de groep de Rolling Stones, als een broekie van zevenentwintig jaar, eigenhandig de brui aan het aardse gegeven. Brian had de weelde van rockartiest niet kunnen verdragen. Spelen in volle zalen voor krijsende fans, op de cover staan van tienerbladen, televisieoptredens en grammofoonplaten maken, geld, de vrouwen, drank en drugs, hij was er allemaal niet tegen opgewassen geweest. Tenslotte had hij de band opgezegd en zijn gitaar aan de kapstok gehangen.

Op een avond had hij zich bedronken en als toetje een flinke hap drugs genomen. Vervolgens had hij een duik in zijn zwembad genomen om nog een baantje te trekken, een baantje dat hem fataal zou worden. Tijdens zijn duik liet een visioen hem zien hoe zijn vrienden van weleer als gerimpelde oude mannen over het podium holden en met schorre doorgerookte stemmen in de microfoon zongen. Mij niet gezien, waren zijn laatste gedachten en zijn longen waren geknapt.

Net als zijn vriend Otis had Brian dus met een nat pak afscheid genomen van de aardkloot, met dit verschil dat het bij hem ging om pure zelfmoord, met andere woorden een doodzonde. Brian werd dan ook tijdens zijn veroordeling in het Dies Irae, het hemelse rechtsgebouw, flink door elkaar gerammeld. Toch was het vonnis als een slag bij heldere hemel bij hem aangekomen, een complete surprise. Niet het hellevuur was zijn lot, maar het purgatorium. Hij had deze wonderbaarlijke uitspraak volgens hem te danken aan psychiatrische onderzoeken welke hij had moeten ondergaan. Op het aardse was hij eveneens meerdere malen vrijgesproken van kwaad of erger. Rechters hadden met Riagg-formulieren gewapperd en gesproken over een angstig, in zichzelf gekeerd persoon met enkele nare ervaringen achter de kiezen.

Otis Redding had verschillende keren achtereen het flatje op nummer 104 van Brian bezocht. Normaliter waren de twee muzikanten geen spraakzame types. Maar omdat ze op het aardse in dezelfde periode aan het popfront hadden gestreden, was er voldoende gespreksvoer. Otis hing aan Brians lippen als deze vertelde hoe populair zijn muziek na zijn hemelvaart was geworden. Na zijn fatale snoekduik in het ijskoude meer waren zijn liedjes Dock of the bay en I’ve got dreams to remember krakers geworden. Het gevolg was dat hij de koning van de soul muziek genoemd.

Nog niet zo lang geleden, toen de twee vrienden elkaar weer hadden opgezocht, was Brian in het gelukkige bezit van een akoestische gitaar geweest, welke hij voor een paar dagen van bovenbuurman Jimi Hendrix had mogen lenen. Otis was voor de gitaar geknield en had spontaan een gebedje gepreveld. Ze hadden gejamd op nummers van weleer zoals Pain in my heart van Otis, en Lady Jane van The Rolling Stones. Otis op gitaar en Brian op mondharmonica. Tot nu toe zou deze middag voor hen de mooiste worden in het hiernamaals.