Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

74 Sjors op stap met Nokia

Godverdee, vloekte Dmitri Sjostakovitsj binnensmonds, had ie er toch alweer een stuk of zes achter de kiezen. En hij was nog maar net bekomen van zijn zeurende hoofd van gisteravond. Hij moest vandaag zijn kop er bijhouden. Wat gisteravond was gebeurd zou never nooit meer mogen gebeuren. Om de paar minuten keek hij op zijn klokje. Ja, ja, hij hield de tijd in de gaten. Vijf uur werd hij verwacht. Hij wist het en hij wist ook nog waar, in de concerthal aan het Plein van de Hemelse Vrede. Daar zou hij zijn Welkomstsymfonie afleveren. Op zijn schoot lag het zwarte aktetasje met daarin het eerste deel van de symfonie. Hij hield het tasje, al zou zich daarin een schat bevinden, stevig tegen zich aangedrukt. Hij had het hem toch mooi maar geflikt. Het eerste deel was af, de andere delen zouden spoedig volgen. Het orkest zou het eerste deel alvast onder de loep kunnen nemen.

Half vijf was het. Tijd om te gaan. Het was nog een hele wandeling. Voor de zoveelste keer die middag opende hij zijn tasje, spreidde de partituur voor zich uit en neuriede en dirigeerde enkele fragmenten.

‘Wig, een sterke koffie graag,’ commandeerde hij plotseling, terwijl hij zijn symfonie weer zorgvuldig in zijn tasje stopte en zijn nog halfvolle biertje ledigde. Hij moest trouwens eerst nog even zijn hoofd onder de kraan houden, bedacht hij zich, in ieder geval zijn slapen en polsen. Hij moest daar absoluut nuchter verschijnen. ‘Wig, ik had om koffie gevraagd!’ riep de componist weer.

‘Meneer Sjors, meneer Sjors,’ zuchtte Wig. ‘Rustig maar, ik kom er aan.’ Wig had vandaag een schortje voor en liep van hot naar her. Hij begreep niet waar Marie bleef. Elke middag zat ze bij hem aan de bar en nu hij haar nodig had was ze er niet. Ze had hem zo mooi even kunnen helpen.

‘Ik heb haast.’

‘We hebben allemaal haast, U bent hier niet de enige.’ Wig knikte naar de tafeltjes om aan te geven hoe druk het daar druk was. ‘Een beetje geduld alstublieft.’

‘Beste barman, ik moet om vijf uur op het Plein zijn, begrijp je dat? Dat is in ons ieder belang, het is voor de Dag des Heren, weet je wel.’ Sjostakovitsj keek om zich heen. Hij stond op het punt om nog een rondje te geven, maar bedacht zich toen hij wederom op zijn klokje keek. Er was het laatste uur aardig wat volk binnengekomen in de Nadorst. Wig kon het nauwelijks aan. Hij was daarom nogal gepikeerd over het gezeur van Sjors. Aan een tafeltje bij het biljart zaten al geruime tijd de musici Frederik Händel van 703 en Tonio Vivaldi van 405. Zojuist waren hun collega´s Gustav Mahler van 702 en Guus Verdi van 705 bij hen aangeschoven. Mahler trof je overigens zelden aan in de Nadorst, zelfs niet aan de koffietafel. Men beweerde dat hij gesolliciteerd zou hebben als dirigent bij het Johannesburg Philharmonic. Aan de bar was het nog rustig. Behalve de nieuweling met snor en sikje van 101, de man die nu al het vriendje van Marie Monroe werd genoemd, de schilder Lautrec van 210 en Dmitri Sjostakovitsj, zaten daar sinds een half uur ook de buren Jim Morrison de popzanger van 206 en de schilder Andy Warhol van 207. Aan de leestafel, voor de boekenwand zat een groepje donkere medebewoners. Het waren de trompetspelers Louis Armstrong van 401 en Miles Davis van 403, de man die gisteravond nogal wat stennis had gemaakt. Naast hen de zangeressen Billie Holiday van 203 en Bessie Smith van 407. Aan dezelfde tafel, enkele plaatsen verderop zat de balletdanser Vaslav van 506, de man die men op de arti nog nauwelijks had horen praten. In plaats van dat was hij meestal aan het acrobaten of aan het jongleren. Op de kegelbaan was hij trouwens ook vaak te vinden, meestal met Amadeo van 904. Nu las hij in een tijdschrift over kunst.

‘Alstublieft meneer Sjors,’ zei Wig overdreven vriendelijk maar ook met enige spot waarna hij demonstratief een kop koffie voor hem neer zette.

‘Dat werd tijd,’ antwoordde de componist nors. Hij slurpte in één keer de koffie naar binnen. Vervolgens liet hij zich van zijn kruk glijden en liep richting toilet. Het koude water deed hem goed.  Bij de garderobe wierp hij een blik in de spiegel om te kijken of zijn spuuglok nog wel goed zat en stapte zonder een groet de Nadorst uit. Zodra hij buiten stond haalde hij diep adem en voelde zijn goede humeur van een aantal uren geleden weer boven komen.

Sjostakovitsj kijkt zo nu en dan opzij naar Nokia, het kleine vrouwtje dat een zware accordeon op haar rug meedraagt. Hij biedt haar niet aan het instrument van haar over te nemen. Dit zou hem te ver gaan. Hij is een klassiek componist en die draagt geen accordeon met zich mee. Zou zij trouwens wel weten wie er naast haar liep? Had zij überhaupt wel van de naam Sjostakovitsj gehoord? Nokia doet zeker drie passen in plaats van Sjostakovitsj twee. Ze trippelt kwiek aan zijn zijde mee. Een dapper leuk vrouwtje vindt hij haar. Ook een gezellige babbelaar, want ze kwebbelt aan één stuk door. Ze vertelt dat ze helemaal aan de andere kant van Johannesburg woont, zeker een uur wandelen van het centrum. Nokia woont ook in een soort artiflat, maar dan in een flat voor kunstenmakers in plaats van kunstenaars. Zij woont samen met andere straatmuzikanten. Ook wonen er goochelaars, jongleurs, koorddansers, clowns, poppenspelers enzovoorts. Nog niet zo lang geleden kwam daar een plaatsje voor haar vrij. Sjostakovitsj luistert met plezier naar de kleine Nokia. Niet eerder heeft hij in het hiernamaals zo’n leuke vrouw ontmoet.

Toen Sjostakovitsj zojuist de Nadorst had verlaten, had de accordeoniste net een slotakkoord gespeeld. ‘Het is mooi geweest voor vandaag,’ had Sjors haar horen mompelen.

‘Ik hoop dat u het hier naar uw zin heeft gehad en wat centjes heeft verdiend,’ had hij op vriendelijke toon gezegd. ‘U heeft ons in ieder geval veel plezier bezorgd en daar mag ik u namens alle artibewoners hartelijk voor bedanken.’ De kleine musicienne had verlegen geglimlacht en een beetje nonchalant haar schouders opgehaald.

‘Als u het goed vindt loop ik met u mee,’ had ze gezegd toen ze vernam dat Sjostakovitsj aanstalten maakte het grasveld over te steken richting centrum. Ik moet ook die kant uit.

‘Met alle genoegen,’ had de componist geantwoord. ‘Maar ik heb haast, ik word om vijf uur in de concerthal verwacht,’ had hij er gewichtig aan toegevoegd. En hij vertelde over de aankomende Dag des Heren en over de opdracht die hem ten deel was gevallen om een Welkomstsymfonie te schrijven en dat hij deze aanstonds zou inleveren bij het Johannes Philharmonic Orchestra.

Het tweetal liep nog maar net over de Boulevard Antonius of Sjostakovitsj voelde een ontzettende drang om te plassen. Hij zette hierdoor nog meer de pas in zodat kleine Nokia hem maar met moeite kon bijhouden. Dat komt door dat verdomde bier dacht hij. Hij begreep niet dat hij bij Wig niet even naar de wc was geweest.

‘U heeft veel haast,’ hijgde Nokia.

‘Ik mag in geen geval te laat komen.’

‘Ik kan u niet bijhouden. Als u het goed vindt dan…’

‘Speelt u maar een moppie,’ onderbrak Sjostakovitsj haar gehaast, ‘dan ga ik even de bosjes in.’ En weg was hij. Toen ze even later weer naast elkaar liepen had Sjostakovitsj een sigaret in de brand.

‘Ik heb Charlie nog gezien’, had Nokia na een stilte gezegd, toen ze even later weer samen liepen. Nokia was blij dat ze niet meer zo snel liepen. Sjostakovitsj keek haar vragend aan. Met zijn zakdoek veegde hij het zweet van zijn voorhoofd. Hij had het warm.

‘Carlie wie?’

‘Grappige Charlie.’

‘Ik ken geen Grappige Charlie, kleine meid.’

‘Hij woonde bij ons in de Trapeze, maar hij wilde hogerop. Hij woont nu bij u in de artiflat.’ Sjostakovitsj dacht na. Kende hij die vent, die Charlie? ‘We missen hem erg. We hadden altijd veel lol met hem.’

‘Dat kan ik mij voorstellen,’ sprak de componist een ietwat afwezig. Hij probeerde de man voor de geest te halen. Volgens hem was het de vreemde kleine man met bolhoed en wandelstok die nog niet zolang geleden op de vijfde was komen wonen. Hij was nog niet in de gelegenheid geweest kennis met hem te maken. Maar hij wist eigenlijk nu al dat het zijn volk niet was. ‘Wat was zijn beroep?’ Zijn vraag klinkt mat. Het interesseert hem eigenlijk allemaal niet. Hij klemt zijn tasje met de Welkomstsymfonie nog steviger tegen zich aangedrukt en versnelt zijn pas.

‘Grappenmaker,‘ antwoordt Nokia lachend. ‘Grappenmaker.’ Ze liepen nog steeds over de Boulevard Antonius, de ader van Johannesburg. Burgerzielen die hen tegemoet kwamen of voorbij liepen keken op en om. De twee hadden veel bekijks. De rokende man in het geblokte colbertje, met op zijn neus een bril met opvallend donker montuur, zijn spuuglok en een zwart aktetasje stevig tegen zich aanhoudend met naast hem het kleine vrouwtje met spleetoogjes, kort piekerig haar, een brilletje op haar neus en een grote accordeon op haar rug. Bovendien leek het tweetal haast te hebben. Klokslag vijf uur arriveren de twee op het Plein van de Hemelse Vrede, het hart van Johannesburg met op het midden van het plein de machtige Sint-Jan Kathedraal omringd door groenstroken en bloemperken. Aan de rand het raadhuis, het domein van burgemeester mevrouw moeder Teresa, en rechts van de kerk de concerthal, het onderkomen van het Johannes Philharmonic Orchestra.

‘We zullen hier afscheid moeten nemen,’ zegt Sjostakovitsj. ‘Het was mij een groot genoegen.’

‘Ik vond het ook fijn,’ antwoordt Nokia een tikkeltje verlegen. ‘Ik hoop u nog eens te zien.’ De componist aarzelde. Hij leek na te denken. Toen zei hij:

‘Wacht op mij kleine vrouw en vermaak intussen de zielen op het plein met uw accordeonspel.’

‘Ik heb geen vergunning om hier te mogen spelen.’

‘Als je mijn naam noemt, kan je niets overkomen. Ze kennen mij hier.’ Nokia doet haar accordeon af en neemt plaats op de trap die naar de ingang van de concerthal leidt.

‘Ik weet niet eens hoe u heet,’ roept ze naar Sjostakovitsj die voor de draaideur van de concerthal staat.

‘Dmitri,’ roept hij. ‘Dmitri Sjostakovitsj. Een beetje muzikant kent mijn naam.’