Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

28 Sjors valt van de kruk

‘Ik ken u van de film,’ zei Frank Zappa tegen zijn buurvrouw. Marie Monroe glimlachte.

‘Dat is alweer een tijdje g-gele­den.’ Maar ze was blij dat er weer iemand op de arti was komen wonen die van haar gehoord had.

‘Wijde jurk en blote billen,‘ glimlachte Frank. Juffrouw Monroe nam een slok van haar koffie en dacht: Hij is niet zo knap als ik dacht. ‘Mag ik me even voorstellen? Frank Zappa, is de naam.’

‘M-Marie Monroe,’ zei juffrouw Monroe. Ze pakte zijn hand. Frank keek naar haar ogen en vervolgens naar haar borsten. Juffrouw Monroe kleurde. Tig keren op een dag werd er naar haar boezem gekeken en nog steeds kreeg ze een rood hoofd. Vervelend toch. Ze was blij dat ze de knoop had doorgehakt en dat ze morgen naar het Lukas zou gaan. Ze was het gekoekeloer meer dan zat. Ze lieten elkaars hand los. Een beetje brutaal vond ze hem wel. Maar wat een ogen mooie had hij.

‘Wat een prachtige naam, Marie Monroe. Is dat uw echte naam?’

‘Mijn d-doopnaam is Norma Jean Baker’. Frank knikte. ‘En b-bevalt het u hier?’ vroeg juffrouw Monroe. Frank nam een slok van zijn bier en haalde zijn schouders op.

‘Dat weet ik nog niet, ik ben hier nog niet zo lang. Ik ben op nummertje 101 neergezet, volgens de huismeester de laagste nummering.’

‘O, antwoordde juffrouw Monroe, u b-bent nieuw.’ Wat spannend dacht ze, zo’n leuke kerel naast haar. ‘Wat deed u b-beneden?

‘Ik was muzikant, rockmuzikant,’ antwoordde Frank.

‘Alweer een m-muzikant,’ lachte juffrouw Monroe. ‘Het stikt hier op de arti van de m-muzikanten.’

‘O ja?’ Hij keek naar haar mooie tanden.

‘Ja hoor, kijkt u m-maar om u heen, je struikelt over de m-muzikanten,’ lachte ze. Wat een heerlijke lach, dacht Frank.. ‘Maar er wonen hier ook veel k-kunstschilders,’ stotterde juffrouw Monroe door en terwijl ze de namen noemde, wees ze met haar vingertje langs Pablo Picasso, Vincent van Gogh en Lautrec.

‘Is die man met de pijp Vincent van Gogh?’ vroeg Frank met bewonde­ring in zijn stem. Juffrouw Monroe knikte.

‘Kent u hem?’

‘Persoonlijk niet, maar beneden heerst er een soort cultus rond hem.’

‘Gossie p-pikkie, wat leuk voor hem,’ zei juffrouw Monroe. En ze dacht: wat heeft hij een leuke grote neus.

‘En wie is de man naast Van Gogh?’ En hij dacht: wat een heerlijke lippen.

‘Dat is Sjostakovitsj. Die woont ver b-boven het gewone volk. Ik geloof ergens op de zevende. Hij zit hier vaak te c-componeren. We noemen hem gewoon Sjors. Hij is b-bezig met een Welkomstsymfonie, voor de Dag des Heren.’ Frank trok vragend zijn wenkbrauwen op. ‘God k-komt eerdaags op bezoek.’

‘God komt op bezoek?’ vroeg Frank verbaasd. ‘Maar die is hier toch al?’

‘In Johannesburg. Hij komt hier p-persoonlijk.’

‘Wanneer komt hij?’

‘Als een d-dief in de nacht, zeggen ze. Niemand weet p-precies wanneer.’ Even was het stil. De andere gasten hadden blijkbaar meegeluisterd, want er was niemand aan de bar die het woord voerde. Het leek alsof ze met bewondering naar juffrouw Monroe’s betoog luisterden.

‘Sjors kijkt niet al te vrolijk,’ onderbrak Frank fluisterend de stilte.

‘Hij wordt meestal depressief na een p-paar glaasjes,’ fluisterde juffrouw Monroe terug. Ze boog zich iets naar Frank toe. Even rook Frank haar geur. Christus me ziele, wat een lekker ding, dacht hij weer.

‘Over glaasjes gesproken, mag ik u iets aanbieden?’ vroeg Frank.

‘Nee dank u. Ik sta even d-droog. Ik heb vanmiddag nogal mijn b-best gedaan.’

‘Iets anders dan?’ drong Frank aan. Juffrouw Monroe twijfelde. Ze keek naar het plukje haar onder zijn lip.

‘Doe maar een t-tosti,’ zei ze toen. Op dat moment viel Dimitri Sjostakovitsj van zijn kruk.

Ze stonden met z’n allen om Sjostakovitsj heen, de meesters Bastiaan Bach en Frederik Händel, de kunstschilders Van Gogh, Lautrec en Picasso, de actrice Marie Monroe, de rockartiest Frank Zappa, en barkeeper Wig. Uitgeteld lag hij daar. Zijn handen omklemde het aktetasje met de partituur van zijn Welkomstsymfonie. Zijn dikke zwarte bril lag naast hem op de vloer. Hij had zijn ogen gesloten. Een klein sliertje spuug hing aan zijn lippen.

‘Hij stinkt,’ zei juffrouw Monroe. Ze trok een vies gezicht.

‘Ik haal even een natte doek,’ zei Wig.

‘Poddomme, dat krijg je als je zoveel drinkt,’ zei Vincent van Gogh.

‘Hij kan daar niet blijven liggen,’ zei Picasso.

‘Een kopje sterke koffie zal hem goed doen,’ zei Bach.

‘Hij komt alweer bij,’ zei Händel.

‘Waar ben ik?’ zuchtte Sjostakovitsj.

‘In de zevende hemel,’ antwoordde Van Gogh.

‘Wat is er gebeurd?’

‘U ging t-tegen de vlakte,’ zei juffrouw Monroe.

‘U had een black-out,’ zei Lautrec.

‘Ik voel me ziek,’ klaagde Sjostakovitsj.

‘Nogal w-wiedes,’ zei juffrouw Monroe. ‘U bent d-dronken.’

‘Even uw gezicht opfrissen,’ zei Wig. Hij depte met een natte spons Sjostakovitsj’ voorhoofd. Sjostakovitsj kreunde nogmaals. ‘Hier is uw bril,’ zei Wig.

‘Kunt u opstaan?’ vroeg Bach bezorgd.

‘Het gaat alweer,’ zei Sjostakovitsj. Dank u wel. Hij wilde weer op zijn barkruk klimmen.

‘Geen sprake van,’ zei Wig streng en nam hem bij de arm. ‘U gaat eerst rustig in een gemakkelijke stoel zitten. Ik zal een kopje koffie voor u inschenken.’ Moeizaam, ondersteund door de barkeeper, sjokte de componist naar één van de bruine tafeltjes, dicht bij het biljart. ´En u blijft hier rustig zitten,´ waarschuwde Wig.

‘Godverdee,’ mompelde Sjostakovitsj met dubbele tong. ‘Wat een toestand.’ Toen iedereen van de ergste schrik bekomen was, zei juffrouw Monroe:

‘Die arme ziel m-moet naar huis gebracht worden.’

‘Ik help u wel even,’ zei Frank Zappa. Om vijf minuten over zeven verliet Sjostakovitsj, ondersteund door Frank Zappa en Marie Monroe, als een gebroken man café de Nadorst.