Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

41 Verliefde Anton Bruckner

Twee keer eerder hadden ze elkaar ontmoet, de tweeënzeventig jarige organist-componist doctor Anton Bruckner van nummer 601 en juffrouw Annette van de begane grond. De eerste keer had hij tegenover haar in de lift gestaan. Ze hadden geen woord met elkaar gewisseld. Een kort knikje, meer niet. Verder hadden ze naar elkaars schoenen gekeken. O, ja, blote benen, dat herinnerde Anton zich nog. Wat een vrouw, wat een heerlijke vrouw! Zelfs haar geur had hij onthouden. Een kwartier later had hij nog eens de lift genomen en getracht haar wederom op te snuiven.

De tweede keer dat hij haar ontmoette was een maand geleden. Of was het een week geleden? Tijd in het hiernamaals was tijdloos. Anton Bruckner herinnerde zich deze tweede keer nog goed. Hij was met zijn mandje wasgoed onderweg naar de wasserette toen hij haar in beeld kreeg. Natuurlijk kende hij haar nog van de lift. Ze zat in zijn geheugen gegrift. Hij had haar nadien nog wel eens aangetroffen. Ze hadden elkaar dan met een knikje of glimlach begroet. Maar tot een woordje was het nog niet gekomen. En dan had je natuurlijk de nodige roddels die door de artiflat gingen. Want waar kwam deze vrouw zo plotsklaps vandaan? Een purgatijnse, dat zag je zo. In ieder geval geen kunstenaar. Bovendien had ze slechts een plaatsje op de begane grond.

Toen hij de bewuste dag het grindpaadje naar de achterzijde van de Artflat had genomen, op weg naar de wasserette zag hij haar beter dan ooit. Ze stond op een trapje, bezig de ramen van de wasserette te poetsen. Als hij diep in zijn geheugen groef hoorde hij nog de onvaste tonen van het lied dat ze tijdens deze werkzaamheden had gezongen. Een voor hem onbekend lied. Hij had halt gehouden en haar op enige afstand, schuil tussen het clubje olijfbomen gadegeslagen, of liever gezegd bespied.

Begerig had hij tijdens het raamlappen naar haar blote benen gekeken en naar haar zwaaibewegingen. Hij wilde doorlopen. Maar het leek of zijn lichaam tegenstribbelde. Hoelang had hij daar gestaan? In ieder geval was hij danig geschrokken toen het gezang en gespetter was opgehouden en ze zich plotseling naar hem toegewend had. ‘Kunnen we het een beetje zien?’ had ze hem spottend gevraagd, terwijl ze haar zeem uit had geknepen. Schoorvoetend was hij naar haar toegelopen en had zich met een rood hoofd geëxcuseerd met de mededeling dat hij in tijden niet zo’n mooie vrouw had aanschouwd en daarom even was blijven staan. Hij hoopte dat zij dit niet erg had gevonden. De woorden waren er uit voordat hij er erg in had. Dit was beslist niet zijn stijl. En nu nog steeds begreep hij niet waar hij het lef en de brutaliteit vandaan gehaald had om de juffrouw op deze manier te begluren en aan te spreken. Even later hadden ze voor elkaar gestaan, juffrouw Annette met een emmertje sop en doctor Bruckner met een rieten mandje wasgoed. En voor de tweede maal had hij zich verontschuldigd. Gelukkig had ze kunnen lachen. ‘Wat je ziet heb je nog niet.’ had ze nog gezegd. Pas ’s avonds onder de wol had doctor Bruckner het zinnetje begrepen. Ze waren gezellig aan de praat geraakt. Het emmertje en rieten mandje had tussen hen in gestaan. Hij had haar uitgenodigd om straks na de was iets te drinken op het terras van Wigbert. Het was tenslotte mooi weer. Met een hartelijke glimlach had zij zijn uitnodiging aanvaard. Ze zou zich intussen wat opknappen. En zo geschiedde het.

Een uurtje later hadden ze op het achterterras van de Nadorst gezeten. Wig, de barkeeper, had een kleine sorbet voor juffrouw Annette neergezet, waaruit ze vervolgens driftig was gaan lepelen. Doctor Bruckner had koffie besteld. Zo nu en dan had juffrouw Annette de kale componist glimlachend aangekeken. Er waren op dat moment weinig woorden. Van achter de bomen klonk het geluid van ketsende ballen van de kegelbaan waar zoals vrijwel iedere middag de heren Amadeo van 904 en Vaslav van 506 een balletje kegelden. Verder was het rustig in de omgeving van de arti.

Bruckner had het idee dat de vrouw tegenover hem zich niet geheel op haar gemak had gevoeld. Maar ook hij had zich opgelaten gevoeld. In wezen was hij geen veroveraar als het om meisjes ging. Op het aardse was het vinden van een liefje hem nimmer gelukt. Zijn leven lang had hij met zijn zus samengewoond. Hij had er alles aan gedaan om aan de vrouw te geraken. Maar dit was hem niet gegund. Hij had zelfs muziekonderricht aan een huishoudschool gegeven. Maar daar hadden de meisjes hem eerder uitgelachen dan met hem geflirt. Hij was ook nog eens verschillende malen door het schoolbestuur op het matje geroepen vanwege zijn meer dan gewone belangstelling voor zijn vrouwelijke leerlingen.

Plotseling had Anton Bruckner beseft dat hij zijn zinnen op de vrouw tegenover hem had gezet. Ze was mooi, vond hij, al had hij haar tijdens het raamlappen mooier, misschien begeerlijker gevonden. Het had hem gespeten dat ze een pantalon had gedragen in plaats van de rok, zoals op het trappetje. Hij had haar tijdens het oplepelen van de sorbet geobserveerd. Als hij het goed had gezien waren haar ogen verschillend van kleur, de één grijs, de ander groen. Ze loenste ietwat, hetgeen absoluut niet in haar nadeel was. Integendeel zelfs. Ze had een klein wipneusje en een kleine mond. Haar tanden waren onregelmatig. Twee grote voortanden stonden iets over elkaar heen. Licht rood of rozig waren haar korte haren. Haar gelaat en hals waren blank, haar gestalte slank. Hij voelde zich ontzettend tot haar aangetrokken. Maar kon dat wel? Hij wist immers niets van deze vrouw. Hij wist niets van haar geloof, haar kerkelijke gezindheid. Hij wist niets van haar verdere achtergrond. Het enige dat hij met zekerheid kon vaststellen was dat zij een purgatijnse was. Was het dan louter lichamelijke aantrekkingskracht dat hij voor deze vrouw voelde? Hij kon dit nauwelijks geloven. Doctor Bruckner had gehuiverd. Hij had het gevoel dat hij direct wilde opstappen. Wat deed hij daar? Wat deed doctor Anton Bruckner in gezelschap van een purgatijnse, een asielzoekster? Stel je toch eens voor dat een collega of kennis hem met de juffer had zien zitten.

‘Mmmm, dat was lekker,’ had juffrouw Annette gezegd terwijl ze het lege sorbetglas naar het midden van het tafeltje had geschoven. Bruckner had zijn koffie koud laten worden. Het koekje had hij onaangeroerd gelaten. Hij had de gehele tijd naar de ijs etende jonge vrouw gekeken. ‘Ik heb in tijden niet zo’n lekkere traktatie gehad,’ had ze hem met een glimlach doen geloven. Met een papieren zakdoekje had ze haar mondhoeken schoongeveegd. Bruckner had geknikt. Hij had gezocht naar een opening tot een gesprek. Voor een moment was het stil geweest. Vanuit het café had geroezemoes en muziek geklonken. Wigs lach had af en toe door de openslaande deuren gebulderd. ‘U woont op de zesde?’ had juffrouw Annette gevraagd om de stilte te doen verbreken. Een beslist overbodige vraag daar zij voor zichzelf de hele artiflat in kaart had gebracht en in haar hoofd had opgeslagen. Alle bewoners wist ze blindelings op hun juiste plek te noemen.

‘Zeshonderd één,’ had Bruckner niet zonder trots geantwoord. En hij had gedacht: hoe krijg ik dat prachtige schepseltje voor een kopje thee in mijn flat.

‘Dan heeft u het goed voor elkaar,’ had Annette met een zekere bewondering gezegd.

‘De Heer is mijn herder,’ had Bruckner geglimlacht. Halleluja, zou ze haast gezegd hebben. Maar ze had zich met een ondeugend lachje tijdig in weten te houden. De man tegenover haar was vast en zeker een zeer vrome man. ‘En u?’ had hij gevraagd. ‘Bent u hier gelukkig?’

‘Ik mag niet klagen,’ had juffrouw Annette gezucht. Zij had haar ogen neergeslagen alsof ze zich schaamde. ‘Ach, ik red het wel,’ had ze er snel aan toegevoegd. Toen zij hem weer aangekeken had, waren haar ogen vochtig. ‘Ik moet het er maar mee doen.’ En toen was ze zachtjes gaan huilen. Vervelend had ze het gevonden om juist op dat moment te gaan grienen en aan treurige dingen te denken. Aan haar schamele hokje bijvoorbeeld, waarin slechts een tafeltje, stoel en bed stond. En aan haar dochtertje Pientje, dat haar dagelijks steeds helderder voor de geest verscheen. Haar meisje dat ze verschrikkelijk miste. Gelukkig was ze nu in het bezit van een portretje van haar. Een portretje dat nu als enige versiering boven haar tafeltje hing. Een tekening van meneer Lautrec gemaakt op het grasveldje achter de molen in Sint-Petrusburg. Ze had ook moeten denken aan haar eenzaamheid en aan de lange avonden. Nee, ze was geen kroegtype. In café de Nadorst zou je haar niet aantreffen.

Juffrouw Annette miste een arm om haar heen. Ze miste een maatje. Natuurlijk voelde ze de belangstelling van verschillende manspersonen. Maar dat was het juist. Ze wist zich daar geen raad mee. Wat moest ze bijvoorbeeld met de tweeënzeventig jaar oude kale man die nu voor haar zat. Ze vond hem aardig. Ze luisterde graag naar hem. Hij was duidelijk een intellectueel, en daar kon ze nog veel van leren. Maar een arm van hem om haar heen, nee daar zat ze niet op te wachten. Dan liever de belangstelling van de donkere meneer Otis Redding van nummer 111, de man die vrijwel iedere dag met een zakje vuilwas haar wasserette binnentrad en waar ze soms zo heerlijk mee kon keuvelen. Niet dat hij veel zei, maar zijn blik was veel betekenend. Leuk vond ze hem, of misschien wel meer dan leuk. Meestal had hij zijn gitaar mee. Dan klom hij op één van de wasautomaten en zong haar toe. Dat waren de mooiste momenten van de dag. En hoe zat het met de rode schilder van 704 meneer Van Gogh. Vond ze hem ook niet sympathiek? Anton was van haar tranen geschrokken. Hij wist zich in dit soort situaties nauwelijks een houding te geven. ‘Wilt u er over praten?’ had hij toen op vaderlijke toon gevraagd. Juffrouw Annette had voorzichtig van nee geschud.