Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

87 Voor Gods aangezicht

Zo ongeorganiseerd als de stoet artibewoners naar het Plein van de Hemelse Vrede was gelopen, zo uniform zaten zij nu in de rode kamer van de Koninkrijkzaal. Zij zaten zoals zij woonden. Vooraan, twaalf zetels voor de bewoners van de eerste etage en dan trapsgewijs omhoog, gelijk een bioscoopopstelling, de overige etages. Een ieder keek vol verwachting om zich heen in de hoop een glimp van de Messias op te vangen. Maar voorlopig liet deze zich niet zien. De rode kamer was een zaal met fluweel zachte rode velours stoelen zoals in een theater uit een ver verleden. Ook het dikke rode behang met gouden stiksels in de meest wonderlijke patronen en de diep rode vloerbedekking waren verantwoordelijk voor de naam de rode kamer.

De meute was zojuist teruggekeerd van de concerthal waar de Welkomstsymfonie was uitgevoerd. Jezus zelf, voor wie de symfonie toch bedoelt was, was zoals gezegd nog niet gesignaleerd. Een ieder wachtte af. Hij was toch echt gearriveerd, wist een orderbewaarder te vertellen. Hij was er samen met een vrouw. De componist, de heer Dmitri Sjostakovitsj, had tot grote teleurstelling van de artibevolking en burgemeester mevrouw moeder Teresa verstek laten gaan. Huismeester Gerrit Smit, die op eigen gezag de regie in handen had genomen, leek zich de afwezigheid van de componist aan te trekken. Hij had echter geen idee waar de man zich op dit moment zou bevinden.

Test een twee drie vier… klonk er plotseling door de rode kamer. Een ieder schrok op uit zijn gebed of gepeins. Daar zou je het dus hebben. De Heer had een microfoon nodig, natuurlijk, en die diende eerst uitgetest te worden. Hallo, hallo… test, een twee drie vier… Het geroezemoes onder de artibevolking ging nu over in een absolute stilte. Men wist niet waar men diende te kijken. Zou de Heer van achteren komen, van boven, van voren, van onder…? Hoe dan ook, de energie van de spanning werd plotseling nu heel voelbaar. Test, een twee drie…

‘Kom kleine Nokia, niet huilen, we moeten naar binnen. We kunnen de Heiland niet laten wachten.’ Vooraan op het toneel verscheen de componist Dmitri Sjostakovitsj met aan zijn zijde een kleine vrouw. Zij hadden per abuis een verkeerde ingang genomen.

‘Daar heb je Sjors!’ werd er geroepen vanuit de zaal. Een ieder leek op te veren. Daar was hij dus toch. Een aarzelend applaus klonk. Maar weldra klapten de meesten van de tweeënzeventig aanwezigen. Bravo! Werd er van alle kanten geroepen. ‘Good job mister,’ riep een enthousiaste Frederik Händel van de zevende stoelenrij. ‘Mooie symfonie, Sjors,’ riep een onbekende stem. ‘We zijn trots op je!’ Sjostakovitsj had door het felle licht van schijnwerpers moeite om de zaal in te kijken.

‘Wat hebben wij hier te zoeken,’ klonk plotseling een stem waarvan Sjostakovitsj de persoon niet kon onderscheiden. De componist zijn ogen zochten de figuur die hem zo autoritair aansprak. Het bleek wederom een ordebewaarder te zijn. Voor een moment was het stil op het podium van de rode kamer. In de zaal zelf had men schik om de onverwachte toneelvoorstelling. Er klonk gemompel en gelach. Toen antwoordde de componist ongehoord fel:

‘U bent de derde die mij vandaag aanspreekt op mijn gedrag, en u moet weten dat ik daar zo langzamerhand genoeg van heb.’ Het licht in de rode kamer floepte plotseling uit. Aan de wanden werden kaarsen ontstoken. Het geheel gaf een ietwat geheimzinnig beeld. ‘Gaat u uit de weg en zeur niet,´ fluisterde Sjostakovitsj. ‘Doe iets nuttigs en breng een bakje water naar het hondje dat voor bij de ingang aan het hek zit.’

‘Wie bent u en wie is deze vrouw,’ vroeg de stem in het duister zonder in te gaan op de componist zijn opmerking.

‘Mijn naam is Sjostakovitsj, Dmitri Sjostakovitsj, componist van beroep en deze vrouw is mijn introducé en sinds kort mijn relatie. Ze is door uw collega´s haar accordeon kwijt geraakt omdat men dacht dat deze explosieven zou bevatten. Hoe bedenken ze het, kleine Nokia die een aanslag op de Heiland zou willen plegen. Gelooft u mij, deze vrouw is de goedheid zelve.’ Terwijl hij deze woorden uitsprak sloeg hij liefdevol een arm om zijn kleine vriendin. ‘Maar laat ons nu door zodat wij onze plaats op kunnen zoeken. Wij komen voor de Heiland en niet voor lieden als u. En ik zou verder maar een beetje op mijn woorden letten als ik u was. De almachtige ziet en hoort alles, dus ook het gewauwel van u en uw collega´s. Hij moet zich trouwens hier op dit moment ergens bevinden.’ Toen verschenen daar burgemeester mevrouw moeder Teresa en huismeester Gerrit Smit. Deze laatste droeg een zaklamp met zich mee. Toen de ordebewaarder de burgemeester zag en in de gaten kreeg dat Sjostakovitsj toch wel een belangrijk figuur was, maakte deze zich uit de voeten.

‘Meneer Sjostakovitsj wat een geluk, daar bent u dan toch, welkom,’ groette de burgemeester en ze klapte van vreugde in haar handen. ‘Wij hebben van uw symfonie genoten! U bent precies op tijd om de Heiland te verwelkomen.’

‘Als ik het wel heb,’ zei de huismeester, terwijl hij met zijn zaklamp in het gelaat van kleine Nokia scheen, ‘bent u de muzikant die ik gister toestemming gaf om enige uren voor de flat te musiceren. Komt u met mij mee, voor ons lieden zijn aparte plaatsen gereserveerd.’ De huismeester nam Nokia bij haar arm en begeleidde haar naar het trapje onderaan het podium. ‘Tweederangs plaatsen, als u begrijpt wat ik bedoel, fluisterde hij haar nog toe. Klapstoeltjes!’

In een gesloten balkon boven het toneel achter geblindeerde ramen zaten Jezus en Magda. Zij keken naar beneden.

‘Daar zit dan de artiflat.’

‘Allemaal kunstenaars?’

‘Allemaal kunstenaars.’

‘Weet je al wie wie is?’

‘Bijna.’

‘Die kale, op de een na achterste rij?’

‘De kunstschilder Picasso, de oudste van de flat. Klein van stuk maar groot van kunst. Helaas niet vaak begrepen. Zelfs hier begrijpt men maar mondjesmaat zijn werk. Hij had muurschilderingen voor de artiflat ontworpen. Ze zijn domweg afgekeurd. Volgens een commissie waren ze te obsceen. Ik zou trouwens niet bij hem in de buurt komen als ik jou was, lieve Magda.’

‘Vertel.’

‘Hij laat geen vrouw met rust.’

‘Spannend. Staat-ie ook op je lijstje?’

‘Ja, hij wil alsnog zijn muurschilderingen maken.’

‘En?’

‘Van mij mag ie.’

‘Lief van jou.’ Magda gaf haar vriend een high five. ‘Wie zit er naast hem?’

‘Mevrouw Alma Mahler.’

‘Ken je haar?’

‘Femme fatale. Zij is net andersom. Zij laat geen man met rust.’

‘Een mannengek.’

‘Zij lust er wel pap van.’

‘God nog aan toe, dat je dat allemaal weet.’

Op het moment dat Dmitri Sjostakovitsj door de burgemeester naar zijn plaats op de zevende rij werd geleid, werd Nokia, de vriendin van de componist door huismeester Smit naar de zijlijn van de rode kamer gebracht waar zij plaats nam op een van de reservebankjes. Op last van een ordebewaarder nam de huismeester daar zelf ook plaats. De zaallichten waren weer aangegaan, zij het gedimd. Op de achtergrond klonk orgelmuziek. Alles leek er op dat de Heiland nu ieder moment zou kunnen verschijnen.

‘Ik ben Nokia, zei Nokia tegen de vrouw die naast haar zat. Ik ben de vriend van de componist van de Welkomstsymfonie. Nokia schudde de hand van juffrouw Annette. Ze keken elkaar aan. Omdat de zaal vrijwel in het duister was gehuld herkenden zij elkaar niet direct. Maar toen…

‘Nokia,’ fluisterde Annette verrast. ‘Ben jij het echt?’ Ze namen elkaars handen. Want wat hadden ze samen veel meegemaakt: het bruine gebouw, de slaapzaal, de dokter, de pijn…

‘En die jongen midden op de voorste rij?’ vroeg Magda

‘Hij beweert in de verkeerde hemel te zitten. Hij is een volgeling van Zarathoestra.’

‘Van wie?’

‘Zarathoestra, een collega van mij.’

‘Wat ziet-ie er uit.’

‘Niet alledaags, dat ben ik met je eens. Maar er zit geen kwaad in hem. Hij is een lieve jongen.’

‘Staat ie ook op je lijstje?’

‘Hij wil hier weg.’

‘En?’

‘Ik zal hem niet tegenhouden.’

‘Goed van jou.’ Magda struinde in haar tasje. Ze zocht naar haar sigaretten. ‘Wil je ook roken?’ vroeg ze.

‘Dank je, ik doe hem net uit.’

Juffrouw Annette en Nokia zaten hand in hand op de klapstoeltjes aan de zijkant van de zaal. Nokia had haar vriendin zojuist toegefluisterd dat ze bevriend was met Sjostakovitsj.

‘Ik heb ook kennis aan een artibewoner. Hij heet Otis en is liedjeszanger. Kijk, daar zit hij, op de hoek van de voorste rij, de man in het rode trainingspak.’

‘Hij lijkt mij een mooie man, zei Nokia. Is het een nikker? Juffrouw Annette keek haar kleine buurvrouw bedenkelijk aan.

‘Ja, hij is donker van kleur.’

‘Die zingen als de beste.’ Juffrouw Annette knikte en zwaaide tegelijkertijd naar de man in het rode trainingspak.

Wat nauwelijks met het blote oog waarneembaar was, was dat het balkon met de heilige gasten zich uiterst traag naar beneden bewoog.

‘En die twee troelala´s op de derde rij?’

‘Vriendinnen.’

‘Ja, dat ziet m´n neus ook.’

‘Nannie en Fannie.’

‘Je hebt je huiswerk goed gedaan’ Jezus glimlachte en kneep zijn vriendin in haar bovenbeen.

‘Ze zitten hand in hand, als ik het goed zie. Zijn ze lesbisch?’

‘Dat kan, maar daar heb ik geen gegevens over.’

‘Sta je dat eigenlijk toe?’

‘Wat?’

‘Lesbisch zijn.’

‘Ik ben er niet happig op. Vader heeft het in ieder geval niet zo bedoeld.’

De zielen in de rode kamer werden onrustig. Men had intussen gemerkt dat het balkon zich naar beneden bewoog. Ze zullen daar inzitten, werd er gefluisterd. De orgelmuziek zwol aan. De zaallichten werden nog meer gedimd. Schijnwerpers volgden het balkon. Vlak voor de bewoners van de eerste rij werd tot aan het trapje van het podium een loper uitgerold.

‘Kijk mama,’ riep plotseling een jongetje dat op een van de reserve bankjes bij een mevrouw op schoot zat. ‘Kijk mama, het balkon beweegt, het komt naar beneden.’.

‘Wie is dat jongetje?’ wilde Magda weten.

‘De zoon van Wolf von Goethe. Vader zit op de achterste rij, tweede van links. Het joch is bij toeval bij zijn vader beland. Er is trouwens ook een moeder op komen dagen.

‘Een ontregeld gezin.’

‘Zo zou je het kunnen noemen.’

Een groepje ordebewaarders stond al geruime tijd voor de reservebankjes aan de zijlijn van de rode kamer. De gezetenen werden verzocht de zaal te verlaten. Burgemeester mevrouw moeder Teresa probeerde er van alles aan te doen om de randfiguren, zoals de purgatijnen door de ordebewaarders werden aangesproken, in de zaal te houden. Het mocht niet baten. Veiligheid voorop, liet een hoge ordebewaarder weten. Deze had om zijn hogere rang kenbaar te maken een rode bies op zijn witte korte broek. En zo gebeurde het dat juffrouw Annette, kleine Nokia, Lieve de mama van het jongetje, Wigbert de barkeeper en huismeester Smit de rode kamer moesten verlaten. Enkele zielen, gezeten op de roodpluchen stoelen lieten een afkeurend gefluit en boegeroep horen. Het jongetje holde naar zijn vader op de negende rij.

‘Kun je daar niets aan doen?’ vroeg Magda.

‘In dit opzicht ben ik een machteloze almachtige,’ antwoordde haar vriend.

Plotseling klonk er trompetgeschal. Het balkon had zijn juiste positie bereikt. Een onzichtbaar koor zong Gloria. Het Gloria van Vivaldi, een bewoner van de artflat. Het was een complete verassing voor deze roodharige componist. Op de vierde stoelenrij, middenin, stond de gelukkige Tonio Vivaldi op zijn stoel. Hij had zijn armen gespreid en schreeuwde het uit van trots en vreugde:

‘God zij geprezen,’ riep hij luid. Dank je wel organisatie dat jullie mijn Gloria uitgekozen hebben voor de verwelkoming van de Heer. Voor Tonio Vivaldi kon de Dag des Heren niet meer stuk!

Het meeste was haar ontgaan. Als een oud vrouwtje zat ze daar. Weinig was er over van de kwieke oude dame van nummer 107. De hele ochtend had ze haar parelketting als rozenkrans door haar vingers doen rollen. Heen en terug en weer heen. Terwijl haar medebewoners gespannen op de komst van de Heer wachtten, bad Marlene Dietrich keer op keer het Onze Vader. Bij ieder kraaltje lispelde zij onhoorbare zinnetjes. Ja, ze had ze gezien, de bruine jongen van het hoekappartement hand in hand met de juffer van de wasserette. En Pablo de kunstschilder kon ze ook wel schudden. Hij scheen close met Alma Mahler.

‘Heer vergeef me,’ bad ze nu. Ze was van plan van nu af aan niet meer met manvolk om te gaan. Ze walgde van zich zelf over de onzin die ze had uitgekraamd aan het adres van Otis, de zanger. Hoe ze haar zinnen op hem had gezet. Ze wilde dit alles zo spoedig mogelijk vergeten. Ze had zich vandaag ook niet opgetut. En ook haar kleding was verreweg van opvallend, een eenvoudig zwart jurkje en een bijpassend hoedje. Voortaan zou ze haar ziel en zaligheid aan de Heer wijden.

De lichten in de rode kamer waren nu geheel gedoofd. De spanning was te snijden. Het balkon, dat nu eigenlijk geen balkon meer was baadde in het licht. Langzaam schoven de donker getinte ramen als een schuifpui uit elkaar. Binnen brandde een flauw licht. Twee schimmen waren zichtbaar. Het machtige Gloria was ten einde. Een gong klonk. Daarna sprak een onbekende stem:

‘De audiëntie van de artibewoners is aangevangen. Luistert u naar uw naam en treedt naar voren.´ Het was nu ongenadig stil. Een ieder hoopte dat zijn naam zou klinken. Daarna sprak de stem: ‘Mevrouw Maria Magdalena Dietrich, wilt u naar voren komen? En denkt u om het opstapje?’ Zuchten en gemompel in de zaal. Een ieder keek naar de voorste rij. Marlene Dietrich stond vertwijfeld op, sloeg de hand voor de mond en riep:

‘Oh My God!’

___________________________________________________________________

Epiloog Boek 1

Zes artibewoners hadden tijdens de Dag des Heren het voorrecht om bij de Heiland op audiëntie te gaan: mevrouw Marlene Dietrich, het koppel Franz Schubert en Maria Callas, Wolf von Goethe en de vriendinnen Nannie Mozart en Fannie Mendelssohn.

Nog dikwijls droomde Marlene Dietrich haar droom over het giga-appartement op de vijfde etage. Het zou toch niet waar zijn dat zij daar ooit zou komen te wonen. Maar het tegendeel bleek, de Heiland had haar ontdekt. Eindelijk was daar de langverwachte erkenning. Ja, La Dietrich had het ver geschopt in het hiernamaals. Van purgatijn tot uitverkorene en dan ook nog op de vijfde etage van de artiflat. Nog hoorde ze de microfoonstem in de Koninkrijkzaal als eerste haar naam noemen: Mevrouw Maria Magdalena Dietrich wilt u naar voren komen… O my God, had ze een beetje oneerbiedig uitgeroepen. Met ruim zeventig paar ogen van medebewoners op haar gericht was ze naar het podium gelopen. Nog hoorde zij de fluwelen stem zeggen: Mevrouw Maria Magdalene Dietrich, wees niet bevreesd, uw gebeden zijn verhoord. U kunt uw intrek nemen in appartement nummer 504. Ze had haar handen ineen geslagen en voor de tweede keer geroepen: –O my God. Toen was ze op haar knieën gezonken en verder wist ze niets meer…

De vriendinnen Nannie en Fannie, het setje van de derde etage hadden eveneens meer leefruimte gekregen. Er werd toestemming gegeven om de muur tussen hun woningen 306 en 307 door te breken. In de oorkonde, behorende bij de audiëntie werd vermeld dat Nannie Mozart en Fannie Mendelssohn steunpilaren waren van het koor de Dames van de Derde en met hun optimisme als voorbeeld golden voor hun medebewoners op de arti.

Stapel waren zij op elkaar, Franz Schubert en Maria Callas. De Heer moet dit gezien hebben want het koppel had zijn zegen ontvangen. De zangeres zou haar intrek mogen nemen op nummer 804 en zou binnenkort mevrouw Schubert genoemd mogen worden.

Met de billen bij elkander was Wolf von Goethe voor de Heer verschenen. Hakkelend had hij Hem doen geloven dat hij zijn vriendin Lieve vooral in huis had genomen om een moeder voor het jongetje te zijn. De Heer had hem zwijgend aangehoord en slechts geknikt. Het jongetje mocht in geen geval de dupe worden van het onverantwoordelijke gedrag van twee volwassenen! Terug op zijn plaats in de Koninkrijkzaal had Wolf een aantal keren luid geroepen: God is liefde!!

En hoe was het de overige artibewoners vergaan? Voor sommigen was het moeilijk wennen nu de Dag des Heren voorbij was. Het leek alsof zij de spanning, misschien de sensatie rond de komst van de Heiland misten. Er waren lieden die met hun eigen ziel onder de arm liepen, zielen die moeilijk hun draai naar het alledaagse konden vinden. Wigbert, de barkeeper van de Nadorst had misschien wel het meeste last van de malaise rond de arti. Vaste bezoekers bleven weg. Waar bleven Marie Monroe, Dmitri Sjostakovitsj, Vincent van Gogh en de anderen? Maar toen de zon haar oude kracht hervonden had en het strelend briesje zich weer liet voelen, leek langzaam maar zeker alles weer zijn normale gang te vinden.

Allereerst klonk daar op één van de eerste zonnige middagen op het grasveldje achter de flat de heldere kinderstem van het jongetje, de zoon van Wolf von Goethe. Samen met het enthousiaste geblaf van Lodewijk, het hondje van de huismeester lokte hun spel verschillende artibewoners naar de galerij. Vrolijk spel ook vanaf de eerste. Sinds kort klonken daar trompetklanken uit het huisje van Chet Baker. Chet had eindelijk zijn trompet. Het was een raadsel hoe hij aan het instrument was gekomen. Verpakt in een prachtig foedraal lag de trompet in de vroege avond na de Dag des Heren bij zijn voordeur. Wie daar achter zat, Chet had geen idee. Minder gelukkig was trompetspeler Miles Davis van de vierde. De ongelukkige musicus was wegens wangedrag gedegradeerd naar de eerste etage, de voormalige woning van Marlene Dietrich.

Wat woongenot betrof was Wigbert de barkeeper erop vooruitgegaan. Woonde hij voorheen met Gerrit Smit de huismeester in een belabberd optrekje op de begane grond en was hij gedoemd te slapen op de onderste helft van een stapelbed met ook nog het alsmaar hijgende, likkende en krabbende hondje Lodewijk onder zich, thans bezocht hij vrijwel dagelijks het flatje van Freddie Queen. Nu burgemeester mevrouw moeder Teresa besloten had tot betere huisvesting voor purgatijnen, had Wigbert toestemming gekregen om in te trekken bij zijn vriend Freddie. Naar verluid had de Heiland zelf daar absoluut geen moeite mee. Freddie was sinds de Dag des Heren gelukkiger dan ooit nu hij Wigbert dagelijks in zijn armen kon sluiten. De twee vrienden hadden elkaar intussen eeuwige trouw beloofd. Met geen woord repte Freddie meer over zijn god Zarathoestra. Hij speelde zelfs met de gedachten zich om te laten dopen tot christen.

Lof kreeg mevrouw Klaartje Wieck toegezwaaid. Zij werkte als vrijwilligster in huize 603. Dankzij het aan haar toegekende persoonsgebonden budget was zij in staat de in de war zijnde componist Robert Schumann een aantal dagen per week te verzorgen.

Een rigoureuze verhuizing beleefde de Herr von Karajan, de man die al geruime tijd in onmin leefde met zijn omgeving. De dirigent kreeg een appartement toegewezen in de Toren van Babel in Sint-Petrusburg.

En hoe verging het Dmitri Sjostakovitsj? Aanvankelijk dacht men dat de componist bezig was met het voltooien van zijn welkomstsymfonie. Maar niets was minder waar. Nu de Dag des Heren voorbij was ontbrak het de musicus aan inspiratie om het werk compleet te maken. Sommige medebewoners dachten dat de maestro zich niet meer durfde te vertonen na zijn ongelukkige val van de barkruk. Maar dit was niet de werkelijke reden. Sjostakovitsj was een latrelatie aangegaan met kleine Nokia, de accordeoniste uit de kunstenmakerskolonie de Trapeze. Meerdere dagen per week wandelde de componist naar de andere kant van de stad om zich daar bij Nokia te voegen.

De schilder Pablo Picasso leek het erg naar zijn zin te hebben nu de grote dag voorbij was. In de eerste plaats was daar de mooie Alma Mahler, de vrouw waar hij zijn zinnen had opgezet. Hij voelde zich volledig op zijn gemak bij deze intellectuele en kunstzinnige vrouw. De tweeënnegentig jarige schilder vond het zo langzamerhand tijd worden dat het rollebollen met de vrouwtjes afgelopen moest zijn. Een andere reden van zijn optimale humeur was dat hij nu alsnog zijn muurschilderingen op de flat mocht aanbrengen.

Wat al een tijd in de lucht hing, was dat Alma Mahler uit de Dames van de Derde op non-actief was gesteld. Zij leefde al geruime tijd in onmin met Maria Callas de leidster van het koortje. Haar plaats zou opgevuld worden door maar liefst vijf dames die al geruime tijd op de wachtlijst stonden: Billie Holiday, Edith Piaf, Mahalia Jackson, George Sand en Klaartje Wieck.

Voor de vrome musicus Bastiaan Bach, voor vrienden en bekenden kortweg meneer J.S. was de Dag des Heren één van zijn mooiste dagen in het rijk der hemelen geworden. Uit handen van Maria Magdalena had de bescheiden componist organist de eremedaille van de stad Johannesburg ontvangen. Ook mocht hij zich voortaan hofcomponist van de Heiland noemen.

De vleselijke lusten van doctor Anton Bruckner waren hem duur komen te staan. Heer ik wist niet wat ik deed, had hij keer op keer gebeden. Het leek dat zijn gebeden waren verhoord, want tijdens de audiëntie had Jezus er met geen woord over gerept. Maria Magdalena had hem echter een ondeugende knipoog gegeven.

Het had niet veel gescheeld of de wasserette op de begane grond had zijn deuren moeten sluiten. Juffrouw Annette was streng toegesproken door een afgezant van mevrouw burgemeester moeder Teresa. Het was treurig hoe de juffrouw met het weke gestel van doctor Bruckner was omgegaan. Zou deze ziekelijke vriendschap langer doorgaan, dan moest juffrouw Annette erop rekenen teruggezonden te worden naar het purgatorium. Er werd verder met geen woord gerept over haar vriendschap met Otis Redding.

Vincent van Gogh en Zusje konden hun geluk niet op. Vrijwel iedere dag gingen zij erop uit om in de velden achter de arti te gaan schetsen, schilderen en elkaar te beminnen. Café de Nadorst had Vincent voorlopig achter zich gelaten. Lautrec zou het voortaan zonder zijn drinkmaatje Van Gogh moeten doen.

En tot slot Frank Zappa en Marie Monroe. Het was een gouden greep van de Here Jezus geweest om het stel naast elkaar te laten wonen. Door de artibewoners werden zij als ondeugende tortelduifjes omschreven. Maar wat Frank al vermoedde, was dat Marie niet de seksbom was waar iedereen het altijd over had, maar dat er een bijzondere gevoelige en lieve vrouw in haar school. Frank had haar lief!

Vers bloed aan de hemelpoort. Van de duizenden zielen die dagelijks de Aankomst passeerden en vervolgens in de gerechtsgebouwen van het Dies Irae gescreend werden vonden twee uitverkorenen de weg naar de artiflat: zangeres Amy Winehouse en zanger acteur Frank Sinatra. Zij kregen de appartementen 107 en 303 toegewezen. Spoedig zou blijken dat de twee het uitstekend naar hun zin hadden in de artiestenflat.

Juni 2015