Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

117 Vredestein

Het was een half jaar later. Vredestein was inmiddels omringd door een vijf metershoge muur, een hoofdpoort, en enkele kleine noodpoorten. In het dorp -of was het toch een kleine stad – waren straten en pleinen aangelegd. Nieuwe woningen, winkels, een kerk, een café, en gemeenschapshuis stonden trots tussen de bomen. Josephine Baker stond voor het venster in haar nieuwe huis. Het was een mooi huis. Half hout, half steen. Een huis met een voor- en achtertuin. Vanuit de tuin liep je zo het plein op, of het bos in. Ze had deze week planten laten zetten door Florentien, de tuinman van het dorp. Maar ze moest afwachten of dit iets zou gaan worden in een grond vol resten wortels en stronken. Ze leunde met beide handen op de vensterbank. Ze zuchtte diep van tevredenheid. Eindelijk voelde ze zich goed, na al de perikelen met Don. De plek van het huis had ze zelf mogen uitkiezen. Het stond mooi, zo midden in het dorp. Het was gelegen aan het dorpsplein, het centrum van Vredestein. Het plein met in het midden de reusachtige Pinus Strobus, die zeker veertig meter omhoog stak, en waar omheen dorpelingen zich op bankjes konden verpozen. Ze had er vandaag nog niemand zien zitten. Logisch ook, want iedereen was druk in de weer, het was midden op de dag. Rondom haar klonken geluiden van sloophamers, trilstampers, en getimmer. Dit was al sinds ze haar intrek had genomen. Ze hoorde het al niet meer, ze was er aan gewend geraakt. Graafmachines hapten in de grond. Het plein en het behoud van de boom was een van de eerste opdrachten die ze als burgemeester had gegeven. De modderpoel voor haar huis was omgetoverd in een volwassen plein. En dan nog de waterpomp, ook nieuw. Het was Don zelf die hier voor gezorgd had. Gister was de supermarkt geopend. Ook deze stond aan het plein, pal tegenover haar huis. En met de frietkraam naast de waterpomp was de gezelligheid compleet, al was het ’s avonds best wel eens rumoerig.

Als je van buiten in huis stapte rook je de nieuwigheid, verf en vers hout, pijnbomenhout. Binnenshuis was het ook gezellig aan het worden. Ze had bij Pedro, de houtbewerker, een tafel, stoelen en een glanzend bureau laten maken, en bij Toby de mandvlechter, kleden in de meest wonderlijke kleuren die ook nog eens heerlijk geurden. Tijdens haar avondwandelingen zocht ze naar stukjes tak waarin ze figuurtjes herkende. Een aantal van haar vondsten hingen reeds aan de vers gemetselde wand in de huiskamer: een salamander, een hert en iets dat leek op de kop van een olifant. Wat kon ze soms verlangen naar echte dieren. Het was natuurlijk van de gekke dat er hier in dit oerwoudbos geen fluitende vogels te horen waren, niet af en toe een vette spin aan de wand. In haar studeervertrek, annex spreekkamer, hing een kruis. Met een beetje fantasie kon je er een figuur aan zien hangen. Verleden week had ze dit gevonden op een van de bospaden achter het huis. Het had niet veel gescheeld of ze had het aan gruzelementen getrapt. Het was diezelfde avond dat ze Don met het zigeunermeisje was tegengekomen, het meisje uit de bus dat in Vredestein was gebleven. Vreemd had ze het gevonden dat ze op dat moment geen hartzeer had. Gegroet hadden ze elkaar met een beleefd knikje, alsof ze vreemden voor elkaar waren. Maar toen ze thuis was gekomen, had ze toch wel een potje gegriend.

Dikwijls dacht ze terug aan haar eerste dag in het pijnbomenbos. Hoe ze hand in hand, onder nieuwsgierige blikken het dorp waren binnen komen wandelen. Hoe gelukkig, hoe verliefd ze leken. Ze waren gekomen toen de enclave bezig was een stadje te worden. Half afgebouwde huizen, met langs de bospaden, stapels stenen, planken, en bergen zand. Doch op de dag van hun aankomst werd er niet gewerkt. Bouwvakkers hadden hun hamers neergelegd, metselaars liepen in hun goeie goed, helmen hingen aan takken in de bomen, kruiwagens en handkarren stonden werkeloos aan de kant. Het café was extra vroeg opengegaan. Juist die dag was het feest, vlaggetjesdag. Ze was met haar neus in de boter gevallen, had Don gezegd. Ze had echter geen idee wat vlaggetjesdag inhield. Ze liet het over haar heen komen, ze zou wel zien. Voorlopig was ze samen met de man die ze lief had. Het was een volksfeest, had hij haar uitgelegd. Na een lange tijd gezwegen te hebben had hij plotseling gezegd: ‘Ik wilde jou daar bij hebben.’ Voor een moment hadden zijn zwarte kijkers haar indringend aangekeken. Ze had hem niet begrepen, maar ook niet verder gevraagd.

Het zou een dag worden met veel gebeurtenissen, met veel verrassingen, maar ook met veel teleurstellingen. Opmerkelijk was het hoe dichter ze het centrum naderden, hoe zwijgzamer hij was geworden. Spoedig was het drukker geworden. Tussen de hutten, de bomen, de huizen in de steigers, wapperden vlaggetjes, ballonnen en gekleurde linten. In de verte klonk muziek. Het dorp leek klaar voor een feestelijke dag. Bosjespurgatijnen, gebruind en in mooie kledij zongen onverstaanbare liederen, trommelden en speelden op handgemaakte fluiten. Lachend begroetten zij het verliefde stel dat uit het bos tevoorschijn gekomen was. Kraampjes met lekkernijen stonden kriskras tussen de bomen. Ketels stonden te pruttelen op vuur. Een waarzegger zette zijn tent op. Van alle kanten werden de twee begroet. Haast onderdanig had de bevolking zich gedragen. Vlak voor Don zijn huis was een haag gevormd waar ze als een koning en koningin doorheen hadden gelopen, toen nog hand in hand. Was Don misschien een soort opperhoofd, had ze zich afgevraagd. Hij had in haar handen geknepen en haar toegefluisterd dat ze bijna thuis waren. En zo was het ook. Enigszins afgelegen, achter hoge struiken en onder een dichte groep bomen lag Don’s hut verscholen. Het was de grootste woning die ze tot nu was tegengekomen, een flinke blokhut. Voor het huis lag een stuk omgezaagde boom, gezien het kleed er overheen, een bank. Domus Don stond er met boomschorsletters aan de gevel. Uit het rieten dak stak een schoorsteen. Een donkere purgatijn met legerpetje en driekwart broek was bezig het pad te vegen. Links en recht van hem een gazon barstens vol bloemen. Toen hij hen zag aankomen stopte hij onmiddellijk. Hij nam zijn pet af en maakte een buiging. Don groette terug en zei dat de man kon gaan. Deze knikte, prevelde iets, zette zijn bezem tegen de zijgevel, en maakte zich uit de voeten.

Door de linten van de deuropening betraden zij de hut. Ze moest even wennen aan de duisternis. Het rook er naar boenwas, wierook en kaarsenvet. Toen haar ogen aan de donkerte gewend waren nam ze de inrichting op. Er stonden een aantal poefachtige stoelen rond een kist die als tafel moest dienen. Op de planken vloer lagen rieten matten. In nissen stonden flessen met half opgebrande kaarsen. Een olielamp hing aan het balkenplafond. In de hoek van het vertrek lag een strobaal met aan het voeteneind keurig opgerolde dekens. Ze herinnerde zich hoe begeerlijk ze naar het bed had gekeken. Hoe ze er naar verlangd had om een moment haar ogen te sluiten en in de armen van Don uit te rusten. Maar niets van dit alles. Ze hadden niet gerust, niet gelegen, niet elkander vastgehouden. In plaats van dat bleef Don akelig zwijgzaam. Het leek wel of hij zich met zijn houding geen raad wist. Hij leek weer op de geheimzinnige man, tijdens die roerige avond rond het kampvuur in de achtertuin van de artiflat. Wel had hij nog een aantal keer het zinnetje herhaald: ‘Ik wilde je erbij hebben,’ gevolgd door: ‘Een vrouw als jou hebben we hier nodig.’ Nog steeds had ze hem niet begrepen. Maar voordat ze om uitleg had kunnen vragen had hij haar bij de hand genomen en meegetrokken naar de feestelijkheden. En weer werden ze met veel belangstelling bekeken, zelfs gevolgd. Wanneer ze zich naar een kraam of attractie begaven week men voor hen uit, en liep met hen mee. Enkelen scandeerde Don zijn naam. Josephine had het gevoel dat zij eveneens met veel belangstelling werd bekeken. Ze besefte plotseling dat ze waarschijnlijk op dat moment de enige vrouw was in Vredestein. Aan een kraam met sieraden kocht Don een armband met bijpassende oorbellen. Toen hij deze haar had aangedaan, fluisterde hij: ‘Daar ben je dan, mijn koningin.’ Bewoners in hun nabijheid hadden geklapt en met elkaar gesmoesd. Omringd door tientallen dorpelingen gaf Don een demonstratie van bijlgooien. Eerst werd hij geblinddoekt, waarna hij, onder gejoel van de omstanders, het vlijmscherpe metaal drie keer in het hart van een boomstronk gooide.

De waarzegger zat achter een klein tafeltje. De tent was binnen ruimer dan dat je van buiten zou vermoeden. De man was groot van stuk. Aan een oor droeg hij een gouden ring, zijn lippen waren rood geverfd en zijn ogen opgemaakt. Een vlinderstrikje met twee kwastjes sierden zijn witte overhemd. Hij keek de zojuist binnengekomen vrouw vriendelijk aan. Er werd nog niets gezegd. Wel knikte hij dat ze op het krukje voor het tafeltje plaats kon nemen. Josephine keek de kleine ruimte rond, het benauwde haar. In plaats van een glazen bol lag er een grote Rubiks Kubus voor de man, een kubus met symbolen. Naast de kubus lag een handspiegeltje. Onder de tafel staken twee blote, flink behaarde benen. Een contrast met zijn bovenzijde. Josephine maakte nog geen aanstalten te gaan zitten. Ze stond er onbeholpen bij. Ze keek naar de draaiende vogel die boven het hoofd van de man door de tocht in beweging werd gebracht, een grote namaak vogel van karton of hout, een papegaai of iets dergelijks, een kaketoe, in ieder geval iets tropisch. Het speeltje hing aan een koord dat bevestigd was aan de nok van de tent. Van buiten klonken feestgeluiden, geroezemoes, soms gejuich, tromgeroffel, fluitspel en gezang. Waarom had Don haar hierheen gebracht, vroeg ze zich af. Ze vond het hier niet fijn. Voor de tweede keer knikte de man naar het krukje voor de tafel. Met tegenzin nam ze plaats. De waarzegger liet zijn gevouwen handen rusten op de tafel. Aan zijn vingers prijkten een aantal opzichtige ringen. Hij kuchte, nam de kubus in zijn handen, en draaide deze in verschillende richtingen. Toen zei hij: ‘Zo, mevrouw Baker, daar zit je dan in het grote enge bos.’ De man had een schorre stem, alsof hij een pakje tabak per dag rookte. Wat een idiote opmerking dacht Josephine, maar ze zweeg. Wel was ze geschrokken dat hij haar naam wist. ‘Grapje,’ wuifde hij zijn foute opmerking weg. ‘Maar misschien heeft u liever dat ik u Freda noem, uw werkelijke naam.’ Josephine huiverde, ze was met stomheid geslagen. Wat voerde die man in zijn schild. Hoe wist hij dat allemaal? ‘Vredestein zal blij zijn met een vrouw als u,’ vervolgde hij. ‘Vredestein zit te wachten op iemand van uw kaliber.’ Wat bedoelde hij hier mee, vroeg Josephine zich af, die zich nu wel heel ongemakkelijk begon te voelen. Had Don soortgelijke woorden ook niet uitgesproken. Wat wilde men van haar? ‘Een vrouw met kennis van zaken, iemand die hart heeft voor burgerrechten. Laten we eens kijken,’ vervolgde de waarzegger, terwijl hij onafgebroken aan de kubus draaide en soms bedenkelijk naar boven keek alsof zich daar eveneens gegevens bevonden. ‘U bent op de hoogte waarom wij u hier naar toe gebracht hebben?’ Josephine was perplex, ze wist geen woord uit te brengen. Ze schrok bij de gedachte dat Don haar wel eens ontvoerd zou kunnen hebben. Maar dit kon toch niet waar zijn? Was hij een geheim agent, of iets van dien aard. Had hij haar niet uit liefde hierheen gebracht? Het zweet brak haar uit. Waar was ze in verzeild geraakt? Wat waren ze met haar van plan? Ze moest hier weg, en snel ook. Maar hoe? Ze had geen idee welke richting ze uit zou moeten. Bovendien was ze nog moe van de afgelopen wandeling.

Een plotselinge heimwee naar de artiflat overviel haar. Zo erg, dat ze haar tranen nauwelijks in bedwang kon houden. God wat miste ze op dat moment de flat. Zat ze hier midden in de jungle in een tent tegenover een nichterige waarzegger. Ze vervloekte Don. In gedachten zag ze de gezellige rommelige galerij voor zich, met de bewoners die op hun manier allemaal iets creatiefs hadden en waar ze zich verbonden mee voelde. Ze had heimwee naar haar buurtjes waar ze eigenlijk weinig contact mee had, maar die ze toch graag zag. Marilyn Monroe, bijvoorbeeld, de schattebout van 102, en gekke Chet de toeteraar, en Janis de schreeuwlelijk, ze waren dan wel gek, maar ze mocht ze graag. Ook de homoseksuele barkeeper en zijn vriendje Freddie waren altijd uiterst hoffelijk. En dan had je de melancholieke zwarte jonge neger van de hoek, Otis Redding, de zanger, die zoals het leek de laatste tijd met zichzelf onder zijn arm liep sinds de juffrouw van de wasserette met de noorderzon verdwenen was. Verder speet het haar dat ze nog nauwelijks gesproken had met de nieuwe buurvrouw van 107, Amy Winehouse, ook zij leek haar een enig mens. Ze dacht aan de geile oogjes en dubbelzinnige opmerkingen van Pablo de schilder van 801. En dan Vaslav, de balletdanser van de vijfde. Kort voordat Don in beeld was gekomen had ze een oogje op hem gekregen. Op een middag hadden ze naast elkaar aan de leestafel in de Nadorst gezeten en had hij haar verteld over dansposities van het klassiek ballet. Ze had aan zijn lippen gehangen. Wat kon die man bevlogen vertellen over de kunst van het bewegen. Ze was door hem uitgenodigd om een kopje thee bij hem te komen drinken in zijn appartement op nummer 506. Helaas was dit er niet van gekomen…

‘U bent de meest aangewezen persoon om…’ Verder kwam de man achter het tafeltje niet. Motorgeronk en gejoel van buiten onderbrak zijn betoog. Gelijker tijd stonden ze op en begaven zich naar de opening van de tent. Midden op het plein, naast de frietkraam was een autobus tot stilstand gekomen, waaruit op dat moment een grote groep luidruchtige jonge vrouwen was gestapt.