Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

16 Zappa loopt een marathon

Frank Zappa had weinig be­grepen van zijn plotselinge wan­del­lust. Goed beschouwd was hij helemaal geen wandelaar. Waar was dit allemaal goed voor, wie had dit bedacht? vroeg hij zich af. Waar ging hij naar toe, wie had hem hier ge­bracht, wie had hem zo gek ge­kregen om onge­traind aan zo’n idioot lange voettocht te begin­nen? Dagenlang had hij onafgebro­ken ge­lopen. Zeg maar gerust ge­sjouwd en gerend. Vooral de eerste da­gen was hij doodmoe ge­weest. Zijn hele lichaam had hem pijn gedaan. Afgezien van het hobbelige tra­ject hadden er om de haverklap verraderlijk diepe kuilen in de weg gezeten en moest er om de zoveel tijd een stevige helling beklauterd worden. Ook lagen er links en rechts stenen en keien die hem alsmaar deden struikelen. Liep hij het ene moment door de blubber, het ander moment zonk hij tot z’n knieën in het water. Dit was geen loopparcours, dit was een helse hindernisbaan!

Er waren momen­ten dat zijn benen niet meer wilden. De blaren onder zijn voeten waren opengegaan en wonden geworden. Waarom had hij zich niet goed voorbereid en fatsoenlijk getraind? Waarom had hij niet aan professioneel schoei­sel gedacht en liep hij hier op zijn pantoffels? Waarom had hij geen korte broek aangedaan of voor zijn part een trainingspak? Want wie loopt er nu in gods­naam in een pyjama en lange witte re­gen­jas een mara­thon?

Hij prakkiseerde zich suf, maar kon er niet achter komen wat de oorzaak was van deze ellende, van deze helse tocht. Zo langza­merhand waren zijn rug en nek ook pijn gaan doen en iedere stap veroor­zaakte hem een steek in de zij. Langzaam maar zeker raakte hij uitgeput en kon hij eenvoudig niet meer. Hij hoestte, kwijlde, en rochelde. Christus me ziele, wat een ellende! Ver­schil­len­de keren had hij in de berm of in een greppel gebraakt, of had hij het kots gewoon als kwijl over zich heen laten lopen.

Hij had gevloekt en gebeden. Soms dacht hij dat hij ijlde. Hij had dorst, hon­ger en diaree. En om de honderd meter moest hij plassen, plassen en nog eens plassen. Maar stoppen ging moeilijk, dus liet hij alles na verloop van tijd maar lopen. Het leek alsof hij met zachte hand werd voortgeduwd. Zijn kruis werd zeiknat, zijn liezen schrijnden. Tevergeefs zocht hij naar een hoofdweg waarop misschien rich­tingaan­wij­zers zouden staan. Kon niemand hem dan vertellen hoelang dit alles nog door zou moeten gaan? Het was een doolhof waarin hij zat opgesloten. Soms had hij het idee dat hij enkel rond­jes liep. Tien­tallen malen dacht hij langs het zelfde punt te zijn gelo­pen. Hij raakte in paniek en gilde:

‘Laat me er uit! Ik zit vast!’ Maar er was niemand die hem hoorde. Er was in geen velden of wegen iemand te beken­nen, al had hij wel het vreemde gevoel dat hij gevolgd werd. Maar als hij omkeek was daar de mist en een angst­aanjagende donker­te. Dus rende en struikelde hij maar voort…

En eindelijk, na dagenlang zwoe­gen, zweten en zwalken, was daar de hoofdweg, een brede landweg van mos en zand, met aan weers­kanten hoge bomen, cipressen, meende Frank. Een groot bord links aan de weg gaf aan waar hij zolang had gestreden De Eeuwige Jachtvelden. Maar het drong nauwelijks tot hem door. Voor hem slingerde zich de hoofdweg door een korenveld en verdween in de heuvels. Daar moest hij dus zijn, daarginds hoog in de heuvels. Daar zou de finish zijn en onge­merkt begon hij sneller te lopen.

Het leek wel, nu hij op de hoofdweg liep, dat hij zich beter begon te voelen. Hij had het idee dat het einde naderde. Zijn voeten deden minder pijn. Hij begon makke­lijker te lopen. Ook de drang om alsmaar te plassen werd minder. Achter hem trok de mist op. Sneller en sneller liep hij. Wederom passeerde hij een groot bord met ditmaal de tekst Het Hijgend Hert Der Jacht Ontkomen en nauwelijks honderd meter verder las hij Voorwaarts Christus Strijders, met direct daarna een reclamebord Heerlijk Helder Heineken. Frank begreep er geen pest van. Waar was hij en wat deed hij hier?

Op een gegeven moment kreeg hij bevestiging van het idee dat hij gevolgd werd. Sinds hij over de hoofdweg snelde vloog er hoog aan de hemel een zwerm vogels met hem mee. Frank floot een fragment uit zijn Touring can make you crazy. Een toepasselijk nummer, mompelde hij glimlachend. In ieder geval was hij nog niet gek geworden…

Na verloop van tijd kreeg hij plezier in het rennen. Zijn voe­ten voelden beter. En even later dacht hij zelfs op veertjes te lopen, zoals in een reclame­spotje voor een nieuw soort sportschoe­nen. De moeheid verdween en maakte plaats voor fitheid en energie. Meer en meer kreeg hij plezier in zijn wandeling. Uitgelaten begon hij te huppelen, te zingen, te lachen. Hij zwaaide naar de vogels, die alsmaar lager kwamen vliegen en tenslotte pal boven zijn hoofd met hem mee deinden. Het was hem nu helder dat zij hem volgden. Hij probeerde ze te tellen, hetgeen hem gemakkelijk afging daar de beesten in perfecte harmonie vlogen, een militaire colonne in de lucht. Goed geteld waren het er drieëndertig. Op het ritme en geluid van de enorme vleugels zou hij best een lied kunnen componeren: Woep woep woep woep… In ieder geval wapperden ze met hem mee richting heu­vels. Maar kom op, moedigde hij zichzelf aan, we moeten verder en hij zette een sprintje in.

‘Kunnen jullie me bijhouden?’ riep hij een tikkeltje overdreven naar zijn volgelingen. Af en toe schrok hij als hij zag dat de meedeinende colonne weer een metertje gezakt was. Het waren nu loeigrote beesten, veel groter dan ooievaars of blauwe reigers. Nooit eerder had hij zulke grote vliegende beesten gezien…

Zo zoetjes aan ging ook het weer mee­werken: De zon werd gemoede­lijk, de wind strelend. De hemel was blauw, de weide groen. Overal bloei­ende bloemen, struiken en bomen, een prachtig decor voor een nieuwe muziekfilm. Toen Frank de heuvel beklom, leek hij opge­tild te worden. De vogels vlogen nu zo laag dat hij het trage geklapper nu vlak boven zijn hoofd hoorde. Het geluid deed hem denken aan draaiende wieken van een grote windmolen, woep woep woep woep… Ook meende hij nu gezang te horen. Hij keek omhoog en zag dat de vogels witte gewaden droegen.