Welkom in de Artiflat

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners, al denken daar sommigen anders over. Lieden van allerlei slag wonen er in de Artiflat: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.

Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig bewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal.

De hoofdstad van het hiernamaals, Sint-Petrusburg is een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar duizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht, een stad ook met een uitgaanscentrum en een rosse buurt. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, Mozestown, Holy City, en Johannesburg, de stad waarin zich dit verhaal grotendeels afspeelt.

97 Zoektocht

‘Vader, vader,’ riep het jongetje in de hal van appartement 902 op de hoogste verdieping van de artiflat. ‘Vader, mag Lodewijk bij mij spelen?’ Het jongetje zocht waar zijn vader kon zijn. Het huis was groot, en hij was nog niet overal geweest. Terwijl het jongetje om zijn vader riep en tegen verschillende deuren bonkte, snuffelde Lodewijk aan de plinten van de grote bruine boekenkasten in de woonkamer. Tegen een van de draaipoten van de rookstoel deed hij een plasje. ‘Vader!’

Vader Wolf von Goethe verscheen in de deur van het slaapvertrek. Het jongetje schrok. Hij had zijn vader niet eerder in zijn onderbroek gezien. Op zijn benen en buik groeide bossen met haar. Jakkie! Mama Lieve zat op de rand van het bed. Ze was bloot. Het was een reuze bed waarop zij zat. Hij had niet geweten dat er zulke grote bedden bestonden. Er zat zelfs een dak op. Bovenop de pilaren zaten engelen met een trompet. Net als in de woonkamer lagen er dikke tapijten op de vloer. Aan de wand hingen jachtgeweren en hertenkoppen. Ook zag hij schilderijen met wilde zeeën. Vlak voor de voeten van mama Lieve lag een platgeslagen tijger. Hier zou ik nooit kunnen slapen, dacht hij.

‘Hebben ze jou op school geen manieren geleerd,’ vroeg vader Goethe op strenge toon. Kun jij niet netjes aankloppen?’ Het jongetje stond aan de grond genageld. Hij begreep niet waarom zijn vader zo boos was. Zijn gezicht was rood van de boosheid.

‘Ik wilde u vragen of Lodewijk bij mij mag spelen,’ zei het jongetje beduusd en dacht waarom praat vader zo luid tegen mij, het lijkt wel of hij schreeuwt. Het jongetje boog zijn hoofd naar beneden, staarde naar vader’s blote voeten en schrok van de lelijke grote teen, het leek wel of daar met een hamer op geslagen was. Op zijn benen, tussen de haren, liepen blauwe riviertjes. Hij werd een beetje bang voor zijn vader. Lodewijk was zich van geen kwaad bewust. Het beestje wandelde op zijn gemak tussen het jongetje en zijn vader het slaapvertrek naar binnen.

‘Godverdegodver,’ tierde vader, wat doet dat beest hier?’ Het jongetje schrok. Lodewijk snuffelde aan de blote voeten van mama Lieve.

‘Kijk eens Wolf, wat een schatje,’ riep ze verrast naar Goethe, en ze vroeg: ‘Hoe komt dat leuke hondje hier?’ Gelukkig, mama Lieve was niet boos, dacht het jongetje. Hij vond trouwens dat zij veel mooiere benen had dan zijn vader en als ie het goed zag waren haar tenen gekleurd. Lodewijk sprong kwispelend tegen mama Lieve op. Zij aaide hem over zijn kop.

‘Doe wat kleren aan,’ gebood Goethe zijn vriendin. Het jongetje was blij dat mama Lieve Lodewijk lief vond. ‘Dat beest is van Smit, de huismeester,’ bromde Goethe.

‘Natuurlijk mag dat lieve hondje bij ons spelen, hè Wolf?’ Vader bromde iets wat het jongetje niet verstond. Terwijl mama Lieve zich in een super klein onderbroekje probeerde te wurmen sprong Lodewijk op bed en likte mama Lieve waar hij maar kon. Toen het jongetje weer naar zijn vader keek had deze een dikke blauwe jas aan met gouden knopen. Zijn blote benen staken er onder uit. Van binnen moest het jongetje lachen. Nog een geluk dat zijn vriendjes zijn vader niet zagen. Je zult toch zo’n rare vader hebben zouden zij zeggen.

Huismeester Gerrit Smit was ten einde raad. Lodewijk was weg. Op het moment dat hij een briefje op het mededelingenbord prikte stonden er vijf bewoners om hem heen. Allen keken nieuwsgierig toe. Ze hadden met hem te doen, iedereen wist hoe de huismeester aan zijn hondje gehecht was.

‘Tjonge wat erg,’ zei Frederik Händel van 703 en hij klopte de huismeester troostend op zijn schouder.

‘Misschien kunnen wij u iets voor u doen,’ zei Otis Redding van 111. De anderen knikten. Unaniem werd besloten om de huismester te helpen en met hem op pad te gaan. ‘Hij zal zich ergens in het heuvelland bevinden,’ oordeelde de huismeester. En zo geschiedde het dat een lint van vijf bewoners onder leiding van Gerrit Smit op speurtocht gingen. Ze verlieten de flat, staken het terras van café de Nadorst over, en liepen langs de kegelbaan het heuvelland in.

‘Verspreiden,’ moedigde de huismeester zijn helpers aan. Met haast overslaande stem riep Smit zijn hondje: ‘Lodewijk, Lodewijk, kom bij het baasje.’ Het leek warempel alsof hij huilde. Na het arti-domein verlaten te hebben naderde de groep een stuk grasland met daarachter de weide met knalrode zonnebloemen, hoge bloemen, die het extra moeilijk maakte het hondje in het vizier te krijgen. Als lokkertje had de huismeester een doosje hondenbrokjes meegenomen, waar hij constant mee rammelde. En zo verdween de groep in de bloemenschat. Ze hielden contact met elkaar door de roep van Smit en het rammelen van het doosje. ‘Lodewijk, Lodewijk, kom bij het baasje.’ Steeds maar weer dat zelfde zinnetje. Hij leek er schor van te worden. ‘We gaan tot de plataan op de kleine berg,’ commandeerde hij.’ Daar maken we rechtsomkeer. Lodewijk is bij mijn weten nooit verder geweest.’

De donker gekleurde Otis Redding, woonachtig op de hoek van de eerste etage zag de zoektocht als een verzetje. Hij was de laatste tijd eenzamer dan ooit nu juffrouw Annette van de wasserette hem links had laten liggen. Zover hij wist had zij vriendschap gesloten met de deftige meneer Bruckner, de sigaarrokende en altijd in het grijs geklede kale man van de zesde etage. Zwijgend en denkend aan zijn allerliefste sjokte hij voort in zijn glimmend blauwe sportbroekje en op zijn witte badslippers. De gehele tijd liep hij naast de heer Ludwig van 903. Deze droeg een lange jas en hoge laarzen. Hij wandelde steevast met zijn handen op de rug. Een groot contrast, en toch leken de twee wandelaars bij elkaar te passen. Otis keek hoog op tegen zijn buurman. Nooit eerder had hij contact gehad met een bewoner van de allerhoogste etage. En nu liep hij zomaar naast iemand van de negende etage te wandelen. Hij voelde zich nietig bij meneer Ludwig. Vroeger op school had hij tijdens de muziekles muziekstukken van hem gehoord. Eén melodie had hij altijd onthouden: Ta ta ta taa… Beiden waren geen praters, op dit moment slechts denkers. Kijken deden ze des te meer. Hun ogen speurden het heuvelland af. Stel je eens voor dat zij de vinders van Lodewijk zouden zijn! Soms bromde de maestro iets of neuriede motiefjes van een melodie, alsof hij aan het componeren was. Otis op zijn beurt blies tussen de spleet van zijn voortanden het liefdeslied dat hij nog niet zo lang geleden voor juffrouw Annette had bedacht. Als het paadje tussen de zonnebloemen te smal werd boog de jonge zanger uit eerbied de hoge bloemen voor meneer Ludwig opzij.

Voor hen uit ritselde gekke Chet door het bloemenveld, Chet Baker, de jazzmuzikant van 103. In plaats van naar het hondje uit te kijken plukte hij stukjes gras en mos die hij vervolgens opborg in een klein metalen tabaksdoosje. Otis, die zijn medewandelaar al geruime tijd belangstellend naar de alsmaar bukkende man had zien kijken legde uit dat het om een buurman van hem ging.

‘Dat is Chet Baker, de trompetblazer van 103,’ fluisterde Otis. ‘Hij kweekt tabak. Zijn balkon staat vol met stekkies.’ En inderdaad, telkens als de trompettist iets bijzonders dacht te hebben gevonden, rook hij er aan en sloeg vervolgens kreetjes uit als: ‘Yes…nice…ok…wow…’ Er verscheen zowaar een glimlach op het sombere gezicht van meneer Ludwig. ‘Gekke Chet noemt men hem op de eerste,’ vervolgde Otis. ‘Hij dankt zijn bijnaam aan zijn vreemde gedrag. Hij is nog niet zo lang geleden in het bezit gekomen van een trompet, daarvoor oefende hij op een bloemengieter. Het was om je rot te lachen. Hij zingt trouwens ook. Net een krolse kat.’ Had meneer Ludwig wel eens kennis met hem gemaakt? Hij was tenslotte ook een artibewoner en op zijn manier eveneens kunstenaar. Meneer Ludwig schudde van nee. Hij was niet een persoon die met Jan en alleman contacten onderhield. Ze keken nu toe hoe de vreemde muzikant aan een stukje groen rook dat hij zojuist uit de grond had gepeuterd.

‘Yes…nice…very good…ok…wow.’ Spoedig stond het groepje op de top van de kleine berg onder de plataan. De ontmoetingsplek voor verliefden, een plek voor amoureuze aangelegenheden. Men had op dit moment meer aandacht voor het weidse uitzicht dan naar het zoeken van het hondje. Je had hier echt het idee in het paradijs te vertoeven met al dat groen en bloemenpracht.

‘Laten we hier even uitrusten,’ sprak de huismeester vermoeid, waarna de zoekers zich in het lange gras lieten zakken. De enige die bleef staan was Chet Baker. Hij kerfde iets tussen de hartjes, namen en oproepen ‘Ik kan wel janken, maar ik ben hem kwijt,’ zuchtte Smit.

‘Zo, ik ben vereeuwigd,’ lachte Chet en hij liet zich naast Smit op de grond vallen. De huismeester keek misnoegd naar hem. Hij had het hoogst irritant gevonden dat de toeteraar alsmaar ‘Poes, poes’ had geroepen in plaats van zijn hondje. Van Smit had hij niet mee gehoeven.

‘I’m so sorry voor u’ sprak Frederik Händel tot de huismeester, terwijl hij een sigaar opstak.

‘Reuze vervelend,’ beaamde Jimi Hendrix en hij schudde heftig met zijn hoofd, een hoofd met lange prachtige krullen. Jimi en Frederik hadden tijdens de voettocht min of meer vriendschap gesloten. Nooit eerder hadden zij een woord met elkaar gewisseld. En nu, tijdens de veldtocht, leek het of woorden te kort schoten. Beiden mochten zich prijzen om hun helderheid van geest. Zij leken up to date. Vrijwel alles nog wisten ze van weleer. Soms waren hun gesprekken zo heftig dat ze hun missie om naar Lodewijk uit te kijken volkomen vergaten. ‘God, dat is ook toevallig,’ had de gitaarspeler onderweg gezegd. ‘We hebben dus allebei in Londen gewoond.’ Zijn medewandelaar had heftig geknikt.

‘Yep,’ had Händel geantwoord en hij vervolgde niet geheel zonder trots: ‘In Westminster.’

‘Het is niet waar.’ zei Jimi ongelovig.

‘Hoe zo?’

‘Daar heb ik ook gewoond.’ Händel had hem vragend aangekeken. ‘In de wijk Mayfair,’ had Jimi er aan toegevoegd.

’t Is niet te geloven,’ zei Händel verbaasd. ‘In welke street?’

‘In de Brookstreet.’ De twee hadden elkaar omhelsd alsof het familieleden waren.

‘Je maakt een joke,’ had Händel gezegd. Ze gaven elkaar een high five. Vervolgens hadden ze de gehele wandeling bij elkaar gelopen. Hun leeftijdsverschillen bleken groot. Frederik was 74 jaar, Jimi slechts 28. Bijna drie keer paste Jimi in de leeftijd van Frederik. Niettemin konden ze goed met elkaar overweg. En dit had niet alleen te maken dat ze stadsgenoten waren geweest, ja zelfs buren. Op de terugweg naar de artiflat sprak Jimi honderduit over zijn gitaarsuccessen op festivals en in stadions, over de flower power en vrede op aarde. Händel sprak over zijn orgelconcerten aan het hof van King George en zijn opera-successen in het theater.

‘Wanneer ben jij de pipe uitgegaan,’ wilde Händel weten.

‘Negentien zeventig.’

‘Good Lord,’ dat is nog maar pas geleden.

‘En jij?’

‘Ik ben van het jaar 1779 na de geboorte van onze messiah.’

‘Voor een ouwe knakker als jij, heb je een gaaf oorringetje in,’ grapte Jimi. Händel toonde een big smile. Hij mocht die krullekop wel. ‘Over ouwe knakker gesproken,’ vervolgde Jimi, ‘heb jij iets aan het handje?’ Terwijl de componist een nieuwe sigaar in de brand stak, keek hij hem vragend aan. ‘Je wordt de laatste tijd gesignaleerd met mijn bovenbuurvrouw van 304. Wij op de 2e etage houden zulke dingen scherp in de gaten. Toen de spreker zag dat zijn buurman van kleur veranderde, zei hij: ‘Heel bijzonder, een hoge piet van de zevende met een meiske van de derde, een amusementsvrouw nog wel. ’

‘Ik mag miss Ball graag,’ leek Händel zich te verdedigen.

Vlak voordat ze die middag voor de tweede keer het veld met de rode zonnebloemen inliepen, keerde Chet Baker, die vooruit was gelopen, als een wildeman naar de groep terug. ‘Een poesje, een poesje, eh… ik bedoel het hondje, ik heb het hondje gezien. Voor een moment bleef iedereen staan. ‘Echt waar, een hondje en een jongetje en ehh… een lekker ding. En inderdaad, er klonk geblaf tussen de bloemen. Het volgende moment verschenen uit het veld met de knalrode zonnebloemen, het jongetje, mama Lieve en een wild keffende Lodewijk. ‘Ik heb ze gevonden,’ riep Chet. ‘Waar is mijn beloning?’ Lodewijk kwam in volle ren op zijn baasje aan rennen. Zo enthousiast, dat de huismeester een paar stappen achteruit moest doen. Toen viel hij op zijn knieën, waarna het beestje zijn baasje overal likte waar hij maar kon.

‘Ik kan wel janken,’ snikte huismeester Smit. En dat deed ie dan ook.